Rituele uitingen

Waarom praten mensen eigenlijk. Die vraag dringt zich wel eens op als je jezelf of anderen bezig hoort allemaal dingen te zeggen die van geen enkel belang zijn en waarvoor ook eigenlijk niemand, inclusief de spreker, zich interesseert. De meest voor de hand liggende reden, dat we praten om informatie door te geven, is overduidelijk in maar weinig gevallen van belang. Dan komen er allerlei andere verklaringen: om vriendschap te sluiten, om te laten zien dat je het goed bedoelt, om machtsverhoudingen vast te stellen, om indruk te maken, om de tijd te korten. Omdat het soms zo prettig is om te praten. Omdat sommige woorden en klanken zich zo lekker laten uitspreken. Nonsensrijmpjes bijvoorbeeld met almaar `bibelebontse' erin, versjes die heel nadrukkelijk rijmen zodat je niet eens meer weet waar ze over gaan (Jonas in de wallevis,/ Die vannacht gevangen is/ In het zoute water,/ Visje hou je snater, /Visje hou je lachebek/ Van je één, twee, drie) of `De blauwbilgorgel' (`Eens sterf ik aan de schorgel'). Maar dat is al nauwelijks praten meer, dat is klanken voortbrengen.

Volgens de filosoof en sanskritist Frits Staal is dat ook precies waar taal vandaan komt, uit het uitbrengen van klanken tijdens een ritueel. Dat verklaart, volgens hem, waarom taal, en vooral de syntactische structuur van taal, zo onnodig ingewikkeld en omslachtig is. We denken misschien dat onze omgangstaal heel doelmatig is, maar dat dat niet waar is, laat zich, schrijft hij, al eenvoudig aflezen uit het bestaan van de logica: als de omgangstaal toereikend en eenvoudig was zou men geen logische taal hebben hoeven ontwikkelen waaruit alle complicaties van de grammatica vrijwel geheel verwijderd zijn. Taal is helemaal niet het optimale uitdrukkingsmiddel voor betekenissen, maar zit vol willekeurige regels.

Daar komt nog bij, nog steeds volgens Staal, dat de omgangstaal ook een dwangmatige kant heeft. Mensen laten zich bijvoorbeeld ontzaglijk slecht onderbreken, hij laat zien dat sprekers het feit dat ze niet uit hebben kunnen praten vaak erger vinden dan dat ze op fouten worden betrapt. Iedereen kent trouwens mensen die door vele `..eh's' voorkomen dat je denkt dat ze uitgesproken zijn en dat je zelf iets mag zeggen. In welk geval menigeen trouwens een verhaal naar voren brengt dat niets van doen heeft met hetgeen de vorige spreker probeerde te zeggen. En niet alleen dat soort dwangmatigheden bedoelt Staal, maar ook die van de willekeur van grammaticale regels waarvan niemand mag afwijken zonder zich te ontmaskeren als iemand die de taal niet spreekt (`Hij gaat gisteren roeien') en waarvan ook niemand wil afwijken. Staal: ,,Dat onze menselijke taal een middel is voor verstandhouding en communicatie is een idee dat lang is overschat.''

In de Vedische rituelen die Staal heeft bestudeerd, worden klanken uitgestoten in reeksen en ordeningen die lijken op die van de grammatica zoals die door de taalkundige Noam Chomsky zijn blootgelegd. Dat verklaart veel van de overbodige ingewikkeldheid van die regels: ze zijn niet ontstaan om mee te praten, ze zijn ontstaan uit rituele mantra's. En het taalgebruik bij rituelen, net als het hele (oosterse) ritueel is volgens Staal dwangmatig en betekenisloos. ,,Een wijdverbreide, doch onjuiste veronderstelling over het ritueel is dat het bestaat uit symbolische handelingen die naar iets anders verwijzen.'' Het enige waar het de uitvoerders om gaat, zo heeft hij vastgesteld, is om het correct uitvoeren van de regels. Nogmaals: Staal heeft het over vedische rituelen, niet over de katholieke eucharistieviering of iets dergelijks.

In een interessante en prikkelende brochure van de neerlandicus J.H. de Roder, getiteld Het schandaal van de poëzie. Over taal, ritueel en biologie komen de theorieën van Chomsky en Staal beide voor. Ze worden gebruikt als ondersteuning voor de veronderstelling, nee voor de overtuiging eerder, die De Roder heeft, dat poëzie neigt naar betekenisloosheid. Hij voert daarvoor allerlei argumenten aan: dat er geen interpretatie is die een gedicht werkelijk definitief ontraadselt, dat een gedicht steeds weer opnieuw gelezen moet worden, dat ritme zo'n grote rol speelt in poëzie, dat de ervaring van ritme en klank soms zo intens is dat we ons onbegrip even voor lief nemen. ,,Het lijkt er dan ook op'', schrijft De Roder, ,,dat het als esthetisch bevredigend wordt ervaren dat er van een gedicht niet meer dan een suggestie van betekenis uitgaat''.

De Roder doet interpretaties niet af als overbodig en onzinnig, maar hij legt het accent ergens anders, op de ervaring: ,,wat een gedicht tot een gedicht maakt is de ervaring van een gedicht''. Het gedicht staat nog met één been in de rituele oorsprong, veronderstelt hij. En in het ritueel is, conform Staal, betekenis niet van belang, maar uitvoering, ritme, klank. ,,Poëzie is die vorm van taalgebruik waarin taal zich opnieuw van haar rituele oorsprong bewust wordt.''

Ik weet niet of taal zich van iets bewust kan worden, dat lijkt me voorbehouden aan taalgebruikers, en bovendien zit ook in proza veel ritueel. De wat de betekenis betreft overbodige gecompliceerdheid van onze grammaticale regels worden in de poëzie soms zelfs juist geforceerd of losgelaten, dat zou dan wijzen op juist méér behoefte aan betekenis. Toch valt niet te ontkennen dat poëzie meer nog dan proza over de taal zelf gaat, en dat een gedicht niet `uit' is na één keer lezen, maar om verschillende redenen aanzet tot herhaalde lezing of voordracht. En die reden is niet, of niet uitsluitend, dat we het de vorige keer nog niet snapten.

Of poëzie daarom betekenislozer is dan proza betwijfel ik. Het adagium `Vorm is inhoud' geldt bij uitstek voor de poëzie, meer nog dan voor een roman. Misschien is het daarom dat men een gedicht uit het hoofd wil leren; je kunt de inhoud ervan niet op een andere manier onthouden, want de inhoud bestaat niet zonder de vorm. Dat voelt bij een verhaal anders.

Tegelijkertijd geldt dat vorm en inhoud één zijn op een bepaalde manier voor alles wat we zeggen. Mensen met macht zijn zich daar vaak maar al te zeer van bewust, die dragen er zorg voor niet in simpele taal een duidelijk standpunt ten beste te geven, maar in lange volzinnen vrij weinig te zeggen. Hun taal is niet bedoeld om ons iets uit te leggen, maar vooral om duidelijk te maken dat de spreker belangrijk is, veel nadenkt, oneindig veel complicaties overziet, weet heeft van zaken waar zijn toehoorders het bestaan niet eens van kunnen vermoeden. Zo ook zijn de lieftallige nonsens die geliefden elkaar nogal eens toefluisteren niet van belang wegens hun betekenis, maar omdat ermee gezegd wordt dat men elkaar zo graag ziet. (`Wat bent u toch een vlielander' roept de haas Leendert uit Anton Koolhaas' verhaal `Liefde schuilt in een doublet van hazen' in opperste verrukking tegen zijn Mathilde.)

Soms lijkt het overgrote deel van taal nog wel diep in het ritueel te zitten, en niet alleen grammaticaal. En wij maar rationeel doen. En maar praten. Maar soms geven we aan die rituele uitingen een prachtige en betekenisvolle vorm. Dan is het poëzie.

    • Marjoleine de Vos