`Reigen': kronkelen voor een beetje genot

Is liefde lopende-band-werk? Wie naar Reigen in de regie van Dirk Tanghe kijkt, zou dat haast gaan denken. Een transportband zorgt voor de aanvoer van paren in Reigen: de vrouw komt van rechts, de man van links, hollend tegen de looprichting in, en als zij de liefde hebben bedreven voert de band hen weer af. Zo, met slechts een gering aantal variaties, gaat het in elk van de tien scènes die Reigen rijk is.

Tanghe kiest voor monotonie en daarmee handelt hij in de geest van de schrijver. Arthur Schnitzler wilde met Reigen immers laten zien dat alle paringen op elkaar lijken, dat de deelnemers aan zo'n paring inwisselbaar zijn en dat maatschappelijke verschillen er dan eventjes niet meer toe doen. De tien dialogen vallen steeds uiteen in een helft vóór en een helft ná de paring, en na elke paring (op de laatste na) wordt een van de partners verruild voor een andere. Vijf vrouwen, van het hoertje tot en met de getrouwde mevrouw, en vijf mannen, van de grove soldaat tot en met de fijnzinnige graaf, doen met elkaar iets banaals en houden elkaar voor dat het iets heiligs is.

In het Wenen van het fin de siècle ontmaskerde Schnitzler die hypocrisie, en uiteraard veroordeelden de ontmaskerden Reigen als pornografie. Terwijl je in Reigen van alles vindt, behalve zinnenprikkeling. Ook Tanghe, in een ander fin de siècle, ziet van opwindende seksscènes af. Marie-Louise Stheins en Peter De Graef – zij spelen alle rollen – ontmoeten elkaar nooit echt daar op die lopende band. Altijd blijft er een afstand tussen de beide lijven. Een streling is een zwevende hand in het niets; een zoen is een smak in de lucht. Nieuw kun je deze vervreemdingseffecten niet noemen, maar Tanghe haalt er nog méér uit de kast. Hij laat zijn acteurs met elektronisch vervormde stemmen spreken, hoog of laag al naargelang de rol. Speelt De Graef een minderjarig ventje, dan piept hij snerpend en schor. Speelt Stheins een heerszuchtige dame, dan komt er uit het fragiele lichaam een donderende bas. Vlak achter hen, als op een filmscherm, verschijnen de titels van de tien dialogen. De hoer en de soldaat; de soldaat en het kamermeisje; het kamermeisje en de jonge meneer; en ga zo maar door. Die onpersoonlijke benamingen, gevat in zulke grote letters, maken de mensen op het toneel klein en futiel. Stripfiguurtjes zijn het, die zich allemaal eender gedragen.

Ze zeggen dat dit hun eerste keer is, dat zij niet zijn zoals andere vrouwen (of mannen). Ze zijn het satirische commentaar op de valreep van deze eeuw, waarin het huwelijk weer net als vroeger vereerd wordt en overspel verguisd, terwijl we van alle kanten aangemoedigd worden onze behoeften direct te bevredigen, desnoods met behulp van een toevallige passant. Om aan hun trekken te komen kronkelen de passanten van Dirk Tanghe, ook fysiek, zich in de malste bochten.

En door de enorme inspanningen die zij zich getroosten voor zo'n miezerig moment van genot zijn ze ook een beetje ontroerend. Net zo ontroerend als de voor de lopende band geposteerde stoommachine, die alleen met veel gepuf zijn hoogtepunt bereikt.

Voorstelling: Reigen, van Arthur Schnitzler, door De Paardenkathedraal. Regie: Dirk Tanghe. Vertaling: Ger Thijs. Decor: Bart Clement. Kostuums: Mirjam Pater. Gezien: 19/11 Stadsschouwburg, Utrecht. Tournee t/m 11/3; inl 030-2711414.

    • Anneriek de Jong