Maaltje oesters

Hartje winter is het op het Schotse eiland Mull aangenaam vertoeven. Woest weer, ruigte en eenzaamheid. Het eiland is van een verpletterende schoonheid met zijn hoge bergketens en kleine grillige baaien. We waren de enige toeristen. Ons hotel, het Western Isles Hotel, prachtig gelegen op een rots boven het havenstadje Tobermory, was voorzien van alle comfort, open haarden en een kamer met serre. We keken uit op the Sound of Mull, het loch dat de kust van West-Schotland met de zee van de Hebriden verbindt; elke vijf minuten veranderden lichtval en weersomstandigheden. De toon van een zekere chique werd al gezet bij de receptie: toen een man achter mij opving dat we uit Amsterdam kwamen, riep hij in vervoering:

,,Amsterdam? Bernard Haitink, the Concertgebouw Orchestra. Superb!'

Ook de keuken was verrukkelijk, alleen stonden er geen oesters op de kaart, een hele teleurstelling. De ober zei dat ze die wel wilden bereiden als ik een partijtje op de kop tikte, maar zelf inkopen deden ze niet.

Twee dagen later reden mijn zoontje en ik naar de oostkust om het fraaie Torosay Castle te bezoeken, met zijn aangelegde gelaagde tuinen en beelden, naast de ruïne van Duart Castle, hoog gelegen aan zee. Een paar dagen eerder hadden we een nazaat van de oorspronkelijke bewoners ervan ontmoet: de 83-jarige Lord Fitzroy McLean en zijn vrouw Lady Veronica. McLean, diplomaat, soldaat/oorlogsheld met James Bond-achtig allure, vriend van Tito, Churchill en Gorbatsjov, geschiedschrijver en eigenaar van de Greggans Inn, gelegen aan Loch Fyne in Argyll. Een Nederlandse vriendin had een documentaire over (de nu overleden) Fitzroy gemaakt en vroeg me hem te groeten. Zijn vrouw schrijft kookboeken en royalty-biografieën, ,,Maar Beatrix wil nooit', had ze gezegd. Wat nerveus, want erg onder de indruk van 's mans staat van dienst, pakte ik de telefoon. Hij was erg vriendelijk en noodde ons de volgende dag voor de lunch.

Die ochtend maakten we een ruige wandeling door de bergen, waarbij soms hangend aan takken een rivier moest worden overgestoken. Iets te laat, besmeurd en groen bevlekt, holden we het hotel binnen, precies op het moment dat het adellijke echtpaar arriveerde. Tijd om ons te verkleden was er niet meer. ,,We're not very presentable', stamelde ik. ,,Neither are we', sprak een keurig geklede Lady Veronica, die later zelf naar de keuken liep om een doekje te halen, nadat mijn zoontje het door het personeel gebrachte glas limonade had omgegooid. Noblesse oblige.

Bij de ruïne van McLeans voorvaderen stormde het zo hard, dat je in een hoek van 45 graden tegen de wind kon leunen. Mijn zoon meende zelfs even dat hij opgetild werd en vloog, wat hem een Peter Pan-achtige euforie gaf.

Langs de zuidkust reden we verder richting Kinlochspelve. Plotseling ontwaarde ik door de beslagen voorruit een bord: Bed & Breakfast and oysters. Een prettige combinatie. We reden het erf op en een man kwam ons tegemoet. Ik wilde oesters, hij vroeg of we over een paar uur terug wilden komen. Nee, dat ging moeilijk, we moesten nog zo'n 80 kilometer door de bergen naar het noorden en het werd vroeg donker. Hij vroeg ons binnen, waar we werden ontvangen door een mevrouw die sprekend op Ma Flodder leek. Bloemetjesjurk, laarzen, een vest. Vier andere mannen waren, om onduidelijke redenen ook aanwezig, en iedereen dronk whisky. Het was pas half twee. Voor ik het wist zat ook ik met een limonadeglas vol malt.

Om de conversatie gaande te houden, vroeg ik of het niet erg eenzaam wonen was hier. Het laatst geziene huis lag 20 kilometer terug, het volgend gehucht tien verder. De vrouw leek als door een adder gebeten. Waar ik dan wel logeerde? Tobermory dus, (bestaande uit zo'n 60 huisjes aan de haven en een straatje erachter). ,,I wouldn't live there for the world, far too crowded', zei ze.

Haar man kwam een poos later binnen, doorweekt tot aan de taille, met een grote zak. Toen pas begreep ik waarom we later hadden moeten terugkomen. Het was nog steeds vloed en het is onprettig oesters steken in een ijskoude zee. Voor een tientje mocht ik de zak meenemen. 's Avonds zag ik de andere gasten jaloers kijken naar mijn glanzende schaal oesters, een gerecht dat ze toch niet op de kaart konden vinden.

Stilleven

Het stilleven boven het artikel Maaltje oesters (in de krant van maandag 22 november, pagina 24) is geschilderd door Willem Claesz Heda in 1638, dus niet in 1938.

    • Doris Grootenboer