Keizerin Sissi als een 19de - eeuwse Lady Di

Dat het droeve bestaan van de Oostenrijkse keizerin Elisabeth anders was dan in de zoete Sissi-films, is geen nieuws meer. Maar toen de musical Elisabeth in 1992 in première ging in het Theater an der Wien in Wenen, keek men er nog danig van op hoe de keizerin in de opvatting van librettist Michael Kunze en componist Sylvester Levay een negentiende-eeuwse prinses Diana was geworden: een gekooide vrouw die zich doodvloog tegen de tralies. Weliswaar is ze in 1898 vermoord door een Italiaanse anarchist die eigenlijk een ander doelwit voor ogen had, maar haar doodsverlangen speelde de hoofdrol – en de dood was in deze voorstelling een verleider die haar voortdurend in zijn armen lokte.

Sinds gisteravond staat Elisabeth in een permanente miljoenenproductie in het Circustheater in Scheveningen, na de vergelijkbare mega-musicals The Phantom of the Opera en Miss Saigon, die elk wegens de grote belangstelling drie jaar lang konden worden doorgespeeld. Ook voor deze derde open end-voorstelling in het door Joop van den Ende gerunde theater wordt op langdurig succes gehoopt; voor de komende maanden zijn intussen al meer dan 200.000 kaartjes verkocht.

In de oerversie in Wenen is Elisabeth, geënsceneerd door opera-regisseur Harry Kupfer, vier jaar lang gespeeld. Buiten het Duitstalige gebied was er echter beduidend minder belangstelling voor. De oversteek naar het angelsaksisch gebied, die voor internationaal musical-succes zo goed als onontbeerlijk is, heeft de show niet kunnen maken. De keizerin is daar vrijwel onbekend, en de roem van de Sissi-films reikte evenmin zo ver. Zelfs voor Nederland moest, aldus het programmaboek, een aangepast script worden gemaakt waarin meer over de politieke situatie en het regime van de Habsburgers wordt verklaard.

Toch is de scène-opbouw in grote lijnen dezelfde gebleven: de moordenaar die in het openingsbeeld ter verantwoording wordt geroepen en tijdens de rest van de voorstelling als Brechtiaans-clowneske verteller fungeert, de dochter uit de Duitse boerenadel die aan het Weense hof komt door haar huwelijk met keizer Franz Joseph, en de dood die bij elke crisis naar haar lonkt. Soms is er even aandacht voor de historische achtergrond – de ondergang van het avondland voor de midden-Europese monarchie – maar op de voorgrond staat Elisabeth. Zij zingt ook de hymne aan de vrijheid die er als muzikaal thema zodanig in wordt gehamerd dat er geen ontsnappen aan is: Ich gehör nur mir, in de Nederlandse vertaling van Seth Gaaikema beter verwoord als Mijn leven is van mij.

Onveranderd is ook het epigonisme dat deze musical kenmerkt. Alles lijkt afgekeken van de grote voorbeelden: de oneerbiedige verteller zagen we al in Evita, evenals de manier waarop de adel reageerde op de komst van de nieuwe keizerin, het morrende volk lijkt als twee druppels water op het morrende volk in Les Misérables, en in de quasi-symfonische pop klinken voortdurend echo's op van Lloyd Webber en Claude-Michel Schönberg. Hoewel het 28-koppige orkest in de bak er met een romig timbre alles aan doet om de partituur tot stralen te brengen, kan niemand verhullen hoe levenloos en middelmatig de melodieën zijn. Net zo banaal en clichématig als de zangteksten, die Gaaikema ook lang niet altijd soepel heeft vertaald. `Nooit wordt prijsgegeven/ wat mij heeft gedreven!' zingt Elisabeth, want ze zal een eeuwig raadsel blijven. Maar wie zo onbeholpen formuleert, wekt weinig belangstelling op naar haar ware aard. Die blijft, inderdaad, een raadsel.

Van de inhoud moet deze Elisabeth het dus niet hebben. Wel van de enscenering die ronduit verbluffend is. Wat hier aan theatertechniek ten beste wordt gegeven, overtreft alles wat Van den Ende tot dusver in Nederland heeft laten zien. De voorstelling telt dertig scènes op dertig verschillende lokaties, en alles is één doorlopend spectacle coupé - van dodenrijk naar tuinprieel, en van kerk, balzaal, slaapvertrek en Weens koffiehuis (met prachtige draaideur) tot hoge bergen met onheilszwangere luchten en het alles verzwelgende vagevuur waarin dat hele fin de siècle tenslotte verdwijnt. De riante toneelbeelden van Paul Gallis en het dramatische licht van Reinier Tweebeeke toveren een wereld tevoorschijn die tegelijk melodramatisch en sprookjesachtig is.

En toch staat die triomf der techniek de spelers niet in de weg. Integendeel: in de regie van Eddy Habbema – en de dienstbare, onopvallende choreografie van Toer van Schayk – zijn zij de echte sterren. Pia Douwes, die ook in Wenen deze titelrol al speelde, pronkt niet alleen letterlijk in een schilderijlijst, maar straalt ook daarbuiten. Ze zingt en speelt met warmte en intimiteit, maar ook strak en volumineus, met een snik in haar stem die zelfs de slapste deun nog tot een expressieve solo maakt. Op haar gezicht, in haar voordracht en in haar houding is de ontwikkeling te zien van de spring-in-het-veld naar de vrouw die steeds gevoeliger wordt voor de charmes van de dood. Stanley Burleson is die dood, in een fraaie roodfluwelen jas, met sluipende tred en bedrieglijk zoete zang. En dat de moordenaar met zijn pesterige commentaar minder indruk maakt, ligt niet aan Wim van den Driessche. Hij is een aanstekelijk energieke ceremoniemeester, maar zijn kanttekeningen zijn aanzienlijk minder raak geschreven dan die van Che, zijn voorganger in Evita.

Zo veel musical-talent, zo veel logistieke topprestaties en zo'n kundige enscenering – het is, alles bij elkaar, een heel wat betere zaak waardig.

Voorstelling: Elisabeth, van Michael Kunze en Sylvester Levay, door Joop van den Ende Theaterproducties. Spelers: Pia Douwes, Stanley Burleson, Wim van den Driessche, Jeroen Phaff, Doris Baaten, e.a. Bewerking: Seth Gaaikema. Decor: Paul Gallis. Licht: Reinier Tweebeeke. Choreografie: Toer van Schayk. Orkest o.l.v. Maurice Luttikhuis. Regie: Eddy Habbema. Gezien: 21/11 in het Circustheater, Scheveningen. Inl. (0900) 3005000.

    • Henk van Gelder