De dandy als kunst

Hij was de auteur van een geruchtmakende autobiografie en trad sinds 1978 op in succesvolle one-manshows. Toch werd de gisteren overleden dandy Quentin Crisp, de zelfverklaarde `stately homo', in de eerste plaats bekend als cultfiguur, als markante verschijning in het culturele leven. De popster Sting wijdde zijn liedje `An Englishman In New York' (1989) aan hem en liet hem figureren in de bijbehorende videoclip; in de film Orlando van Sally Potter speelde hij `the old queen' Koningin Elizabeth I.

Quentin Crisp werd als Denis Pratt in 1908 in Londen geboren. Van zijn leven als kunstenaar, prostitué, academiemodel en (openlijk) homoseksueel in de Britse jaren twintig en dertig deed hij verslag in zijn autobiografie The Naked Civil Servant, die in 1968 verscheen. Het boek baarde opzien, werd in 1975 voor televisie verfilmd met John Hurt in de hoofdrol, en leverde Crisp niet alleen veel hate mail op, maar ook de reputatie van een voorvechter van de homo-emancipatie. Tegen dat laatste verzette Crisp zich; in interviews vervreemdde hij de gay community van zich door homoseksualiteit een ziekte te noemen en Prinses Diana tot `trash' te bestempelen. Over zichzelf sprak hij spottend als `de moeder overste van de homoseksualiteit'.

Sinds de jaren zeventig woonde Crisp in New York City, waar hij heen was verhuisd omdat hij naar eigen zeggen `een constant veranderend publiek' nodig had omdat hij op televisie en in zijn one-manshows vol (biografische) anekdotes `keer op keer hetzelfde' zei. `The Englishman in New York' was op het moment van zijn dood in zijn geboorteland, omdat hij vanavond in Manchester een nieuwe tournee als raconteur zou beginnen.

Crisp schreef na The Naked Civil Servant nog verschillende boeken, waaronder How to Become a Virgin en The New York Diaries. Met geen ervan had hij zoveel succes als met zijn excentriek-statige voorkomen en memorabele one-liners als `het huis schoonmaken doe ik niet; na een jaar of vier wordt het stof toch niet erger.'