Clinton weet de Grieken te bekoren met complimentjes

President Clinton kwam naar Athene, zag de vijandigheid jegens zijn persoon, deed een paar vriendelijke uitspraken en wist de Grieken zo een beetje voor zich te winnen.

Het bezoek van nog geen 24 uur dat president Clinton eind vorige week aan Athene heeft gebracht, stak in allerlei opzichten schraal af tegen het voorafgaande aan Turkije, dat vijf dagen in beslag nam. Afgezien van het uitstel en de korte duur – er was nog net tijd voor een bestijging van de Akropolis – werd het overschaduwd door vandalistische taferelen in het stadscentrum die met de aankomst samenvielen.

Tegen deze achtergrond is de balans van het bezoek toch nog positief, en dat komt door een hele reeks aardige opmerkingen die de president heeft gemaakt. Na de bezichtiging van de Akropolis zou hij bijvoorbeeld een goed woordje hebben gedaan voor de teruggave door de Britten van de Marmerstukken in het British Museum, en hij zou hebben beloofd dit tijdens zijn bezoek aan Florence bij premier Blair over te brengen.

Openlijker was zijn erkenning dat het verkeerd was geweest van de Amerikaanse diplomatie, de kolonelsjunta van 1967 te steunen. De Koude Oorlog had dit ingegeven, zo zei hij, maar die was er nu juist geweest ter verdediging van die democratie. Verguld waren de Grieken met Clintons betuiging dat, als er een olympische gouden medaille zou zijn voor economisch herstel, die aan Griekenland ten deel zou moeten vallen.

Maar de meeste aandacht ging uit naar opmerkingen die de conflicten met Turkije betroffen. Clinton pleitte voor voorlegging van deze conflicten aan het Internationale Hof van Justitie in Den Haag, iets waar Ankara niets van wil weten, al zette premier Ecevit na een recente ontmoeting in Istanbul met zijn Griekse ambtgenoot Simitis de deur op een kier.

Nog aangenamer getroffen betoonde men zich in Athene door een passage in Clintons slotrede waarin werd gesteld dat de wereld weliswaar was gediend bij een aansluiting van Turkije bij de Europese Unie, maar dat zo'n integratie alleen succesvol kan zijn als dat land eerst zijn geschillen met Griekenland oplost. Daarover moeten in Ankara heel wat wenkbrauwen omhoog zijn gegaan.

Onder die geschillen behoort immers ook de kwestie-Cyprus, en gesuggereerd werd dat het aan Turkije was, deze op te lossen, terwijl zij in Turkse ogen al is opgelost. Clinton zei in dezelfde rede ook dat de status quo voor dat eiland geen oplossing was. De Turken kunnen zich echter troosten met het feit dat dezelfde Clinton, toen hij eerder dit jaar Ecevit in Washington ontving, verzekerde dat men op het eiland niet terug mocht keren naar de situatie van vóór 1974, toen de Turken 37 procent ervan bezetten.

In feite heeft Clinton over deze `bezetting' geen woord van kritiek laten horen. Wel heeft hij in Ankara zijn gastheren enigszins wrevelig gestemd door op te merken dat de Grieken hun risico's hadden genomen, en dat het nu de beurt aan Turkije was. Inzake Cyprus of inzake de Egeïsche Zee, daar liet hij zich niet over uit.

Deze vaagheid veroorzaakt onbehagen onder de Grieken op Cyprus, die aan zien komen dat de Turkse Europese kandidatuur bij de aanstaande EU-topconferentie in Helsinki, op 10 en 11 december, zal worden erkend zonder dat daar Turkse concessies inzake Cyprus tegenover staan. De nieuwe onderhandelingsronde tussen de Grieks- en Turks-Cyprische leiders Kliridis en Denktas is dan nog maar net begonnen, op 3 december in New York.

De Grieks-Cyprische pers belijdt onrust over de mogelijkheid dat de Cyprus-kwestie opnieuw ,,hoog op de plank'' wordt gelegd, zoals ook met zoveel woorden gebeurde bij de Grieks-Turkse toenadering in Davos in 1987 tussen de premiers Andreas Papandreou en Turgut Özal. De Griekse regering zal proberen president Kliridis, die vandaag en morgen in Athene op bezoek is, deze vrees uit het hoofd te praten.

Hetzelfde zal worden gedaan door de Griekse minister van Buitenlandse Zaken, Jorgos Papandreou, die later deze week een al enige malen uitgestelde reis naar Cyprus maakt. Hij is in de ogen van de meeste Grieks-Cyprioten veel te zachtmoedig jegens de Turken.

    • F.G.Van Hasselt