Van kwelderwal tot ringdijk

In het Friese terpengebied zijn de afgelopen jaren de oudste dijken van ons land ontdekt. Ze dateren van omstreeks het begin van de christelijke jaartelling. Vermoedelijk waren het ringdijken rond akker- en weideland.

TUSSEN 1991 EN 1993 werden ze ontdekt bij Wijnaldum. Verleden jaar bij Dongjum. En dit jaar bij Peins. Sporen van de tot op heden oudste bekende dijken. Archeologen legden in Wijnaldum acht meter dijktracé bloot en bij Dongjum vier meter. Beide dijken dateren uit de eerste of tweede eeuw na Chr. Bij Peins werden 55 meter dijk ontdekt, aangelegd in de late tweede of de eerste eeuw v.Chr.

De dijken bevinden zich in een gebied dat destijds volledig door de zee werd gedomineerd. Stijging van de zeespiegel na de laatste ijstijd had een groot deel van Friesland tot een waddenzee gemaakt. Toen het zeewater niet meer zo snel steeg, werd de Waddenzee langzaamaan opgevuld met sedimenten. Daarna, rond 1000 v.Chr., begon de uitbouw van de kust in noordelijke richting. Bij elke vloed werd het gebied overspoeld, de hogere delen op een gegeven moment alleen nog bij stormtij.

De vorming van nieuw land is in het noordelijke deel van Friesland goed te reconstrueren via de daar successievelijk gevormde, van zuidwest naar noordoost parallel lopende kwelderwallen. Wijnaldum en Dongjum liggen op twee kwelderwallen van dezelfde ouderdom, Peins op een wal die een paar honderd jaar eerder tot ontwikkeling was gekomen.

Dr. J. Bazelmans, een van de onderzoekers: ``Men nam nieuw gebied al in de midden-kwelderfase in gebruik, als er nog tientallen overspoelingen per jaar plaatshadden. In eerste instantie werd op de kwelders vee geweid. De omstandigheden daarvoor waren zeer goed. Er moeten enorme kuddes hebben rondgelopen. De dijkjes die we gevonden hebben horen volgens ons thuis in een volgende fase van benutting. De kust raakte steeds verder uitgebouwd en opgehoogd en de kwelder raakte niet meer zo vaak overstroomd. Ze zullen toen zijn aangelegd. Dat gebeurde door lokale gemeenschappen en zonder dat een hogere autoriteit een leidinggevende rol speelde.''

De onderzoekers hebben drie rechte stukken en een aantal mooie dwarsdoorsneden aangetroffen, de dijken zijn alleen daar geconserveerd waar later een terp is ontstaan. ``Strikt genomen kunnen we het niet bewijzen'', zegt Bazelmans, ``maar we veronderstellen toch dat het om ringdijken gaat. Die omsloten een stuk kwelder van enkele hectaren en daarbinnen werden akkers en weiden aangelegd.''

Akkeren in een zout milieu? Bazelmans: ``Dat kon. Als de plek maar goed werd gekozen. Paleogeografisch onderzoek, uitgevoerd door drs. P. Vos, heeft laten zien dat men die plekken inderdaad wist te vinden. De dijkjes, net als de latere terpen met plaggen opgeworpen, hoefden niet erg hoog te zijn: ongeveer één à anderhalve meter.'' De plekken werden zo gekozen dat de kans op overstroming tijdens het groeiseizoen minimaal was. De meeste gewassen kunnen namelijk absoluut niet tegen zout. Overspoeling in de winter vormde geen probleem, aldus Bazelmans. ``Slibrijk zeewater brengt nieuwe mineralen mee en een paar stevige regenbuien zorgen voor een zoetwaterbel van zestien tot achttien centimeter op het zoute grondwater. Genoeg voor de worteldiepte van granen. We hebben ook resten van granen gevonden, bij elk van de dijken een bouwlaag van vijftien tot twintig centimeter en bij Peins krassen van een primitieve ploeg. Ze móeten zelf ook wel aan akkerbouw gedaan hebben, want graan kon niet van het achterland, van Drenthe of zo, komen. Op die zandgronden had men genoeg problemen met de eigen voedselvoorziening.''

rechten op grond

De akkerarealen en de terpen van waaruit ze werden geëxploiteerd lagen oorspronkelijk zo'n twee kilometer van elkaar verwijderd. Dat is de gemiddelde afstand tussen kwelderwallen. Maar later werd er een woonterp op en binnen de ringdijk opgeworpen; de akkers rondom bleven ook toen in gebruik. Als de omstandigheden dat toelieten, ging men kennelijk dichterbij wonen. Zo schoof de frontlijn van de kolonisatie dan weer een stukje vooruit. Bazelmans: ``Een kwelderwal was dicht bewoond. Er zal dus waarschijnlijk wel een systeem van rechten op grond hebben bestaan. Rechten die voor families over generaties gehandhaafd moesten worden. Ik kan me voorstellen dat er ook rechten bestonden op aanslibbend land. En dat families op een gegeven ogenblik een jong gezin genereerden dat ging deelnemen aan de kolonisatie van een nieuw ontstane kwelderwal.''

Met Wijnaldum en Dongjum op jongere kwelderwallen, en Peins op een oudere, zijn er nu in ieder geval twee opeenvolgende momenten in de kolonisatie van het uitdijende kustgebied waar men deze strategie hanteerde, zegt Bazelmans. Een kolonisatiestrategie, met andere woorden, via achtereenvolgens kwelderbeweiding, vooruitgeschoven beakkering en terpbouw bij de omwalde akkers. Die volgde de uitbouw van de kust. ``We willen nu de komende tijd gaan kijken op een jongere kwelderwal dan die van Wijnaldum of Dongjum, en op een oudere dan die van Peins, om te kunnen vaststellen of dit later én vroeger ook het geval was. En misschien is het nog mogelijk relaties te leggen tussen de bewoningen op de successievelijk ontstane kwelderwallen. Je zou bijvoorbeeld kunnen kijken naar versieringspatronen op aardewerk die misschien familiegewijs werden doorgegeven. Maar dat is toekomstmuziek.''

De context waarbinnen de ontdekkingen zijn gedaan is het Regionaal Archeologisch Project Noordelijk Westergo. Het project is een initiatief van het Groninger Instituut voor Archeologie en het Amsterdams Archeologisch Centrum. Het loopt van 1998 tot 2002 en heeft tot doel onderzoek in het terpengebied een nieuwe impuls te geven. De grote opgraving van de wierde te Ezinge (Groningen), uitgevoerd door Albert Egges van Giffen tussen 1925 en 1934, was decennialang toonaangevend. Maar sindsdien is er nog slechts met lange tussenpozen aan grootschalig terponderzoek gedaan, meestal met onbevredigend resultaat. De archeologie van het terpengebied zit dus en beetje in het slop.

Aanleiding voor de meest recente, grote terpopgraving bij Wijnaldum in het begin van de jaren negentig was de vondst van een bijzonder kostbaar sieraad, een zogenoemde koninginnenfibula. Bazelmans: ``Dat onderzoek van zeven tot twaalf procent van de terp kostte 260 dagen graafwerk en meer dan twee miljoen gulden. Zo moeilijk zijn terpopgravingen nou eenmaal. En bij de uitwerking bleek dat de gegevens vaak moeilijk te interpreteren zijn, omdat je de vindplaats niet met andere in de buurt kunt vergelijken.''

bewoningsgeschiedenis

In het regionale project worden de zaken daarom anders aangepakt, zegt Bazelmans. De onderzoekers richten het oog niet op een enkele terp, maar op verschillende terpen, om zo zicht te krijgen op de ruimtelijke dimensie van de bewoningsgeschiedenis. Voor de uitvoering zijn er twee betrekkelijk goedkope opties: onderzoek van terpsteilkanten en terpzolen. Beide zijn ontstaan bij de commerciële terpafgravingen. ``Deze aanpak is heel productief gebleken. Bij Dongjum hebben we in vijf weken honderdzestig meter terpprofiel kunnen blootleggen. Dan heb je de bewoningsgeschiedenis van die terp in hoofdlijnen. Bij Peins is de steilkant vernietigd en daar hebben we in zes weken een groot deel van de terpzool onderzocht.'' Commerciële afgravers hebben die laten zitten, aldus Bazelmans, omdat terpzolen daar uit zandige plaggen bestaan. ``De zool biedt echter wel zicht op de oudste fasen van een terp en meestal vind je aan de zijkanten ook sporen uit latere periodes. Dit soort kleinschalige opgravingen willen we een paar jaar volhouden om daarna dan weer een aanzet te geven voor een grotere terpopgraving. En je ziet wat het nu al heeft opgeleverd.''

    • Theo Holleman