Universitair bedelen

Harvard Square heeft niet alleen een aantal prettige boekhandels maar ook de tegenwoordig overal in het oog springende, nergens meer te vermijden bedelaars. En dan heb ik het niet over de straatmuzikanten en de uitventers van de daklozenkrant. De bedelaars staan of zitten er onder alle weersomstandigheden, of het nu drukkend heet is of de regen bij bakken naar beneden komt. Ook als het straks weer zal gaan vriezen en sneeuwen zullen ze ongetwijfeld hardnekkig op hun post blijven. Maar de overgrote meerderheid van de studenten en docenten die dagelijks Harvard Square passeren lopen aan de bedelaars voorbij alsof ze straatmeubilair zijn geworden.

De bedelaars op Harvard Square zijn natuurlijk maar kleine jongens (en meisjes) in vergelijking met de Amerikaanse universiteiten, Harvard voorop. Die noemen hun bedelen dan ook geen bedelen, maar fundraising, en dat gebeurt niet door dik tegen de koude ingezwachtelde sociaal zwakkeren maar door de professionals van het Development Office in hun snelle pakken. Die doen hun werk niet voor wat losse muntjes en andere vormen van contant geld, die rekenen op substantiëlere bedragen van de donors en weldoeners, die dan ook op een andere wijze worden benaderd. Fundraising is namelijk een vak, en zoals bij alle vormen van gezonde bedrijfsvoering gaat ook hier de kost voor de baat uit. Eenmaal gevestigde contacten met gulle gevers worden angstvallig onderhouden, kosten noch moeite zijn teveel om de donor te doordringen van het belang van zijn of haar gift.

Het Harvard-Yenching Instituut, dat een van de beste bibliotheken op het gebied van de Oostaziatische studies beheert in de westerse wereld, kreeg zo onlangs de gedigitaliseerde versie van de Siku quanshu (De verzamelde boeken van de vier schatkamers) kado van een oude vriend van de universiteit in Hongkong, een oud-student van de Harvard Business School en nu een vooraanstaand zakenman. Ik herinner me maar al te goed hoe ik watertandde toen ik nog in Leiden de vooraankondiging las van dit project. De Siku quanshu is een collectie van ruim drieduizend titels (vele zelf omvangrijke verzamelwerken) die in de tweede helft van de achttiende eeuw op keizerlijk bevel werd samengesteld. De Qianlong keizer gaf in 1773 de wens te kennen het beste wat de menselijke geest had voortgebracht verzameld te willen zien in één grote bibliotheek. Iedereen in het rijk werd opgeroepen om zeldzame boeken ter beschikking te stellen voor kopiëring en de keizerlijke geleerden werkten meer dan tienduizend titels door om uiteindelijk hun keuze te maken. Het project leidde en passant ook tot een felle inquisitie van echte en vermeende subversieve geschriften. De hele geschiedenis van de compilatie van de Siku quanshu is ruim tien jaar geleden boeiend beschreven door R.Kent Guy, in zijn The Emperor's Four Treasuries. Scholars and the State in the Late Ch'ien-lung Era (Cambridge MA: Harvard University Press, 1987).

Het eindresultaat was zo omvangrijk dat de collectie onder het keizerrijk nooit in druk verscheen. Duizenden klerken schreven jarenlang hun vingers blauw om zeven volledige exemplaren in manuscript te vervaardigen en menige redacteur werd later ernstig gestraft toen bleek dat de klerken het niet altijd zo nauw hadden genomen met de letter van de tekst. Tenminste twee van deze mammoet-manuscripten zijn bewaard gebleven en het was dan ook al een hele gebeurtenis in de wetenschappelijke sinologie toen in de jaren tachtig zowel op Taiwan als in de Volksrepubliek fotografische herdrukken van deze collectie werden gerealiseerd. Allerlei zeldzame werken die uitsluitend in de Siku quanshu bewaard waren gebleven kwamen nu binnen het bereik van iedere onderzoeker, als zijn of haar instituut tenminste de ton op tafel kon leggen die nodig was om een volledige set aan te schaffen. Gelukkig bleek dat geld ook in Nederland te vinden en in de bibliotheek van het Sinologisch Instituut in Leiden vullen de loodzware delen vele tientallen meters van de schappen.

Een firma in Hongkong heeft nu echter de volledige tekst van alle ruim drieduizend werken in de Siku quanshu op CD-rom gezet. Ieder woord, iedere combinatie in alle drieduizend werken kan worden opgezocht met de spreekwoordelijke druk op de knop, en het totale bestand beslaat maar liefst 130 van die kleine zilverkleurige schijfjes. Daar moet natuurlijk voor betaald worden, want die firma in Hongkong heeft het werk niet uit liefdadigheid gedaan en de vraagprijs bedraagt enkele tienduizenden guldens. Dat is in sommige takken van de wetenschappen misschien peanuts, een bedrag dat moeiteloos weggemoffeld kan worden onder het hoofdje `borrelnootjes' bij representatiekosten, maar op het budget van de geesteswetenschappelijke bibliotheken met hun vele vaste lasten blijft zo'n bedrag een hele hap. In Nederland reikte mijn wijsheid dan ook niet verder dan de suggestie om maar wat te wachten tot de prijs over een paar jaar hopelijk wat gezakt zou zijn (en eventuele kinderziekten overwonnen). Dan is het natuurlijk wel plezierig om als je nauwelijks aangekomen bent op je nieuwe werkplek te zien dat dankzij de goede betrekkingen van het Development Office het hele pakket gratis en voor niets wordt geleverd. Helemaal gratis is misschien een groot woord: het Harvard-Yenching Institute moet nog behoorlijk investeren in zijn hardware voor alles operationeel is en de gulle gever hoopt natuurlijk dat de demonstratieve aanwezigheid van deze voorziening in Harvard andere instellingen zal stimuleren om de middelen bij elkaar te schrapen voor de aankoop tegen harde dollars van deze gedigitaliseerde Siku quanshu.

De noeste inspanningen van het Development Office zorgen zo voor een gestage stroom van giften aan de universiteit, dikwijls met een zeer specifiek doel. Als mensen iets geven, zo houden tegenwoordig de docenten fundraising de Nederlandse universitaire bestuurderen nadrukkelijk voor, willen ze daar graag iets concreets en blijvends voor terug zien – onderzoeksresultaten, een gebouw, apparatuur. Niemand stort zijn geld graag in de bodemloze put van het lopende budget. Ook in Harvard betekent dat in concreto dat het hoogstens druppelt op de geesteswetenschappen als de stortbuien losbarsten boven de Business School, de Medical School, of de Law School.

Maar hoe geprofessionaliseerd het fundraising dan ook toe moge gaan, onvoorspelbare verrassingen blijven ook hier de universiteiten niet bespaard. Tijdens een recent fundraising diner van het Massachusetts Institute of Technology (twee stops met de ondergrondse hier vandaan) vroeg onlangs een van de gasten, een oud-student en oud-werknemer, Kenan A. Sahin het woord. Hij had eigenlijk op dat moment in China moeten zijn, maar die reis was op het allerlaatste moment niet doorgegaan. Maar nu hij er toch was, had hij tijdens de maaltijd plotseling bedacht dat hij zijn oude universiteit het ronde bedrag van honderd miljoen dollar wilde schenken, `no strings attached', en dat wilde hij even kwijt. Hij had net zijn software bedrijf voor een slordige anderhalf miljard dollar verkocht, vandaar. Inmiddels zit hij in een commissie samen met bestuurderen van het MIT, toch al geen arme instellingen, om zich te buigen over de vraag hoe het geld dan wel besteed kan worden. Misschien wordt het tijd dat in Nederland het VNO er haar leden op wijst dat als de vaderlandse captains of industry recht menen te hebben op internationaal competitieve salarissen, dat hen ook verplicht tot een internationaal vergelijkbare vrijgevigheid `jegens de wetenschap en de samenleving'.

    • Wilt Idema