Schurken tegen de macht aan

Zijn het losgeslagen bendes of doelbewust vooruitgeschoven troepen? Bij de grote conflicten in de wereld (Balkan, Oost-Timor, Afrika, Colombia) spelen paramilitairen de hoofdrol. Ze moorden en plunderen en doen alles wat de Conventie van Genève verbiedt - zodat de regeringslegers hun handen `schoon' kunnen houden.

In Sierra Leone draagt de dood een Donald Duck-masker, op Oost-Timor draagt hij een hoofdband en in Kosovo een cowboyhoed. Of het nu gaat om West-Afrika, Timor of het voormalige Joegoslavië, naast het gebruikelijke legergroen van regeringslegers worden oorlogsgebieden bevolkt door gewapende lieden in carnavalskostuum. Soms heten ze zelfverdedigingsgroepen, dan weer landwachten of gewoon milities. Polemologen noemen ze liever `irregulieren', en volgens de populaire definitie zijn het allemaal `paramilitairen' – in de letterlijke zin van het woord: `naast' de militairen. Ze schurken tegen het reguliere leger aan.

Ongeregelde troepen zijn geen nieuw fenomeen. De Russische tsaren lieten de islamitische zuidgrens bewaken door Kozakken. Het plaatselijk bestuur in het Britse Empire rustte voor een groot deel bij boerenmilities. Zelfs de Romeinen namen al plaatselijke stammen in dienst: de barbaren. Het bestaansrecht van dit soort troepen lag vooral in een gebrek aan mankracht bij de reguliere strijdkrachten of in machiavellistische overwegingen: verdeel-en-heers in bezet gebied. Ongeregelde eenheden ontvingen geen soldij: het waren freelancers – de term betekent letterlijk `vrije lansier', een soldaat die zijn lans verhuurt. Ze moesten hun geld op de vijand zien te veroveren door plundering.

Landmacht-generaal J.M.J. Bosch, hoofd van de vakgroep militaire operationele wetenschappen van de KMA in Breda, bevestigt dat `irregulieren', de krijgskundige noemer waaronder dergelijke paramilitairen vallen, strijdkrachten de nodige hoofdbrekens geven. ,,Een commandant moet ervoor zorgen dat de veiligheid van troepen en de bevolking wordt gegarandeerd. Juist het irreguliere karakter van dergelijke groeperingen kan dat heel moeilijk maken. Wie zijn het? Waar zijn ze? Zijn ze gestuurd, of opereren ze autonoom?''

Bij twee grote conflicten van het afgelopen jaar, in Timor en Kosovo, speelden paramilitairen weer een belangrijke, barbaarse rol. Een kortstondig opvlammen van een fenomeen dat zo oud is als de weg naar Kralingen. Of toch een voorproefje van de oorlog van de toekomst?

Ongrijpbaar

Hoewel `irregulieren' in verschillende delen van de wereld actief zijn, hebben ze één ding gemeen: ze zijn extreem gewelddadig. Ze worden goed betaald om dat te zijn. Hun werkgevers zijn vrijwel altijd overheden die hun macht zien tanen in opstandige gebiedsdelen. En hoewel paramilitairen zich net als gewone militairen moeten houden aan de Conventie van Genève, lappen ze in de praktijk alle regels van het oorlogvoeren aan hun laars. Ze hebben namelijk de opdracht opstandigen in het gareel te krijgen. Met alle mogelijke middelen. Dus zijn marteling, mishandeling, verminking en verkrachting aan de orde van de dag. Volgens het Internationale Rode Kruis is de situatie zo uit de hand gelopen, dat de hulporganisatie sinds vorige maand campagne is gaan voeren met het doel het respect voor het oorlogsrecht te herstellen.

De regering sluit de ogen voor deze misdaden op haar grondgebied. Sterker nog, ze plukt er de vruchten van. Enerzijds kan het centrale gezag de gewelddadige expertise van ongeregelde troepen goed gebruiken in de strijd tegen opstandelingen of guerrillabewegingen. Anderzijds kan de regering zich voor de buitenwacht distantiëren van deze zogenaamd oncontroleerbare groeperingen en hun wandaden.

Neem Zuid- en Midden-Amerika. Paramilitaire organisaties schoten daar in de jaren zeventig en tachtig als paddestoelen uit de grond, vaak met de zegen van regeringen, die zich geen raad wisten met de ongrijpbare guerrillabewegingen. De oprichters waren grootgrondbezitters die hun economische bestaan bedreigd zagen door linkse revolutionairen.

In Colombia ontvangen paramilitairen tot op de dag van vandaag ondersteuning van de regering. Althans, dat zeggen organisaties voor de rechten van de mens die in door paramilitairen gecontroleerde gebieden actief zijn. Met die ondersteuning worden lijsten aangelegd met de namen van `potentiële verzetsstrijders'. De `rotte appels' worden systematisch verwijderd. Dit was vorige maand het lot van dertien jongeren uit een boerengemeenschap ten zuidwesten van Medellin, die, op verdenking van sympathie voor guerrillagroeperingen, uit hun huizen waren gesleurd en door het hoofd geschoten. Slachtoffers zijn bijna altijd burgers; met de guerrillastrijders zelf gaat men het gevecht zelden aan.

In Honduras zijn het afgelopen jaar tweehonderd jeugddelinquenten geëxecuteerd door paramilitaire doodseskaders, die zich daar gedragen als een soort brute handhavers van het gezag. Zij zouden hiervoor betaald worden door Hondurese en buitenlandse zakenlui, met stilzwijgende instemming van de regering, die zo het investeringsklimaat van het land op peil willen houden.

Of neem Oost-Timor. Paramilitairen kregen opdracht de dreigende afscheiding van een opstandige provincie te verhinderen. De Indonesische regering vreesde dat van de onafhankelijkheid van Oost-Timor een precedentwerking zou uitgaan, ze voorzag een domino-effect. Andere provincies als Atjeh en de Molukken liggen immers ook dwars. Het doel was het zaaien van terreur, doelwit waren intellectuelen, priesters en studentenleiders, kortom: het kader.

Maar ook vielen milities ditmaal buitenlanders aan, onder wie hulpverleners en journalisten. Het afschrikken van buitenlandse inmenging was hiervan het achterliggende oogmerk. Vredesmachten zullen in een quasi-anarchistische toestand minder snel tot ingrijpen geneigd zijn.

Ook in Joegoslavië bleken paramilitairen zeer nuttig. De Joegoslavische president Slobodan Miloševic begon vanaf 1990 aan het organiseren van een paramilitair netwerk, eerst in Kroatië. Hiermee wilde hij het gezag van Belgrado vestigen in de rebellerende republieken Slovenië, Kroatië en Bosnië.

Het onafhankelijkheidsstreven van de Kroaten moest de kop worden ingedrukt door ze, vooral na het begin van de oorlog in Kroatië in juni 1991 en in Bosnië in 1992, simpelweg te vermoorden of te verjagen uit gebieden waar Serviërs woonden. Dat gebeurde met een systematische precisie. Gebieden of dorpen die voor `zuivering' in aanmerking kwamen werden omsingeld door het reguliere leger, en met artillerievuur bestookt. Servische inwoners werd geadviseerd te vertrekken of hun huizen met een witte vlag te markeren, of ze werden bewapend. Paramilitairen mochten het werk afmaken.

Eerste doelwit vormde het niet-Servische kader; vervolgens werden jongemannen gescheiden van vrouwen, kinderen en ouderen – en soms geëxecuteerd omdat ze potentiële verzetsstrijders waren. Vrouwen werden als onderdeel van de zuiveringscampagne systematisch verkracht. Velen vluchtten of werden gedeporteerd.

De getuigenissen uit Kosovo duiden erop dat hier in grote lijnen dezelfde strategie is toegepast. Het was het Joegoslavische leger dat volgens het plan `Hoefijzer' steden en dorpen omsingelde, waarna de Frenki's, de Tijgers en de andere paramilitaire groeperingen de bewoners met grof geweld uitschudden, verjoegen of vermoordden. Opmerkelijk is dat de paramilitairen pas betrekkelijk laat in Kosovo opdoken, in februari, ten tijde van de onderhandelingen in het Franse Rambouillet. Toen raakte Miloševic er blijkbaar van doordrongen dat hij de opstandige provincie mogelijk kwijt zou raken. Terwijl het Joegoslavische leger de `schone' oorlog voerde in Kosovo, werden de paramilitairen belast met de `vuile'.

De belangrijkste drijfveren van paramilitairen zijn banaal: macht, wraak, maar vooral geld. In Bosnië, Kroatië en Kosovo kregen paramilitairen de opbrengst van de geroofde spullen die met vrachtwagens naar Servië waren gebracht. Ook werden ze voor hun diensten beloond met baantjes in de zakenimperia van hun leiders of belangrijke posten in lokale parlementen en gemeenteraden. In Colombia is het oorspronkelijke idee van zelfverdediging verruild voor dat van zelfverrijking: de drugshandel speelt een belangrijke rol.

Concurrent van de staat

De `knechten' kunnen de `meesters' ook tot last zijn. Sinds de Colombiaanse regering aan de onderhandelingstafel is gaan zitten met de linkse guerrillastrijders, is het aantal `zelfverdedigingsorganisaties' aanmerkelijk toegenomen. Deze groeperingen hebben ook gebieden onder hun controle waar het centrale gezag in Bogotá niets te zeggen heeft. Hierdoor zijn ze tot op zekere hoogte veranderd in een concurrent van de staat.

De Joegoslavische president Miloševic heeft mogelijke problemen met de paramilitairen in de kiem gesmoord. Na `Bosnië' en `Kroatië' begon zijn geheime dienst een campagne tegen paramilitaire kaderleden die te veel wisten over de rol van de overheid bij etnische zuiveringen, of die een `bedreigende' machtspositie hadden verworven. Zo werd de leider van de Grijze Wolven, Slobodan Miljkovic, bijgenaamd `Lüger', die door het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag werd gezocht, vorig jaar augustus geliquideerd. De staat is dus de hand die de paramilitairen voedt, maar ook die ze de keel kan afknijpen.

Vanuit Bogotá, Jakarta en Belgrado wordt betrokkenheid bij en zelfs het voorkomen van wandaden van paramilitairen natuurlijk ontkend. De paramilitairen operen op eigen gezag, doen waar ze zin in hebben: de overheid zou geen greep op ze hebben. De Joegoslavische regering heeft zelfs altijd ontkend dat in Kosovo paramilitairen aanwezig waren, laat staan dat ze gruweldaden hebben begaan.

In het geval van Colombia en Oost-Timor zijn er inderdaad aanwijzingen dat de paramilitairen hulp ontvangen van het leger buiten medeweten van de centrale overheden. Lokale autoriteiten, zoals gouverneurs en garnizoenscommandanten, zijn soms van mening dat de `hoofdstad' niet ver genoeg gaat bij de verdediging van het staatsbelang en nemen het heft in eigen hand. In Oost-Timor stak het paramilitaire geweld bijvoorbeeld pas in januari de kop op toen de Indonesische president Habibie verklaarde wel te voelen voor een onafhankelijk Oost-Timor. Oost-Timorese paramilitairen ontvingen toen training en wapens van de plaatselijke, ontevreden legerleiding.

Niettemin dienen paramilitairen altijd het centrale gezag. Het zijn de – brute – handhavers van de status quo. In hoeverre centrale regeringen paramilitairen sturen, is vaak moeilijker te zeggen door de schimmige verstrengeling van belangen. Maar bij die schimmigheid ligt nu juist de kracht van paramilitaire organisaties: ze zijn er, ooggetuigen ten overvloede, en ze zijn er – officieel – niet. Het onofficiële karakter van paramilitairen maakt het voor de buitenwacht moeilijk om regeringen, die hen ondersteunen, ter verantwoording te roepen. De diplomatie staat met lege handen.

De verleiding bij regeringen is dan ook heel groot om buiten de wet om gewelddadig in te grijpen. Zelfs in het `geciviliseerde' Spanje werden in de jaren tachtig commando's opgericht, de zogeheten GAL, die buiten het parlement om opdracht kregen leden van de Baskische afscheidingsbeweging ETA te ontvoeren of te vermoorden.

Nietsontziend geweld

De recente opleving van het paramilitaire geweld in Kosovo en Oost-Timor is niet terug te voeren op een tekort aan rekruten of honger naar meer territorium, zoals bij de Romeinen, maar is vooral defensief van aard. De jongste milities zijn in het leven geroepen omdat de macht van de staat wijkt, binnen de landsgrenzen. Het is een gegeven dat reguliere strijdkrachten moeite hebben met het bestrijden van guerrillabewegingen. De belangrijkste reden hiervoor heeft Mao Zedong als volgt geformuleerd: de guerrillastrijders zijn onder de bevolking, zoals een vis in het water. De Verenigde Staten hebben dat in Vietnam gemerkt, en de Russen in Tsjetsjenië.

Wie vissen wil vangen, moet dus ontwateren: regio's compleet ontvolken, of er voor zorgen dat de bevolking dusdanig wordt geterroriseerd dat ze zich wel twee keer bedenkt guerrillastrijders te steunen, of zelf in het verzet te gaan. Er moeten kortom `paramilitaire methodes' worden gehanteerd. Reguliere legers die een kans van slagen willen hebben tegen volksopstandelingen, moeten bereid zijn nietsontziend geweld te hanteren. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Turkije en Irak, waar de reguliere legers zonder scrupules optreden tegen opstandige Koerden.

Bij de reguliere soldaten in Oost-Timor, Joegoslavië en Colombia is die bereidheid minder groot gebleken. In het geval van Colombia heeft dat een duidelijke reden: soldaten zijn slecht opgeleid en onderbetaald en staan bekend om hun gebrek aan motivatie.

Ze zijn niet bereid om de risico's te nemen die het `vuile' werk met zich meebrengt: hinderlagen en bomaanslagen vallen niet uit te sluiten. Misschien zit ook de militaire beroepseer wel in de weg. Het Joegoslavische leger bijvoorbeeld, dat door de Tweede Wereldoorlog een formidabele reputatie had gekregen, stond aanvankelijk huiverig tegenover het begaan van oorlogsmisdaden. Later verdween die schroom.

De terughoudendheid van het regeringsleger komt echter niet uitsluitend uit de eigen rangen, maar wordt ook van buitenaf opgelegd. De opperbevelhebber van de reguliere strijdkrachten, de staat, is in de jongste geschiedenis in toenemende mate gebonden aan conventies, verdragen en de mondiale publieke opinie. Er wordt – zij het selectief – meer gelet op het `gedrag' van staten. Het woord `moraal' ligt de Westerse diplomaat in de mond bestorven.

Aan paramilitairen gaat deze pressie goeddeels voorbij. Regels zijn er juist om te schenden, zeker als hiermee de tegenstander pijnlijker kan worden getroffen. Dat verklaart de aanwezigheid van paramilitaire groepen op de oostelijke helft van Timor. Had het Indonesische leger op het eiland ingegrepen zoals de paramilitairen, dan was de regering in Jakarta door de internationale gemeenschap ter verantwoording geroepen. Nu kon Indonesië de handen in onschuld wassen.

Gouden toekomst

Paramilitairen hebben een gouden toekomst. Ze hebben toenemend bestaansrecht zolang de opstandigheid in de wereld groeit en voor staten vormen ze een ideaal, want heimelijk machtsinstrument.

Om op dit soort ongewisse situaties militair te kunnen inspelen, is het optreden tegen `irregulieren' sinds kort verankerd in de officiële doctrine. De landmacht heeft in Bosnië en Kosovo al enige ervaring kunnen opdoen. En dat zullen zeker niet de laatste gevallen zijn. Landmacht-generaal Bosch: ,,Door de Koude Oorlog heeft de geschiedenis als het ware stilgestaan. Nu neemt die geschiedenis weer haar normale loop. Oude twisten en nieuwe grenzen kunnen ervoor zorgen dat irreguliere groepen een machtsvacuüm opvullen. Daar waar de staat is geweken.''

Joegoslavië

Bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië speelden paramilitairen vanaf 1991 een hoofdrol. In Kroatië, Bosnië en Kosovo hebben ze vele duizenden doden op hun geweten. Hun milities droegen martiale namen, zoals `Tijgers', `Witte Adelaars', `Grijze Wolven', `Gouden Leeuwen', `Schorpioenen', `Bliksem', `Jokers'. In Bosnië zetten zowel de Serviërs als de Kroaten paramilitairen in bij etnische zuiveringen. Ook de moslims waren bij de verdediging van Sarajevo aangewezen op bendes `patriottische' criminelen. Servische paramilitairen trekken nog altijd de meeste aandacht.

Begin jaren negentig wilden veel politici de volksgenoten in Kroatië en Bosnië helpen: zelfs oppositiepoliticus Vuk Draškovic had zijn – alom tegengewerkte – `Servische Garde'. Andere milities konden wel rekenen op royale steun van leger en politie. De Arkan-`Tijgers' waren met een paar duizend manschappen de machtigste groep. Ze gehoorzaamden Zeljko Raznjatovic, alias Arkan, een bankrover, huurmoordenaar en hooliganleider. De `Adelaars' vielen onder ultra-nationalist Vojislav Šešelj. Leden van Šešelj's militie werden achteraf veelal beloond met posten in diens partij SRS; Tijgers vonden emplooi in het zakenimperium dat hun baas met de roofbuit opbouwde. Achteraf zijn nogal wat ex-commandanten omgekomen bij vetes in de Servische onderwereld, of opgeruimd omdat ze `te veel wisten'. Dat lijkt bijvoorbeeld het geval bij de leider van de `Grijze Wolven', Slobodan Miljkovic, alias Lüger. De nauwe verwevenheid tussen misdadigers en politie, die begin jaren negentig bij de vorming van paramilitaire bendes ontstond, is in het naoorlogse Servië gebleven. Dat bleek dit jaar van nut in Kosovo, toen het oude wervingsmechanisme zeer snel in werking kon worden gezet. De politie haalde opnieuw gevangenissen leeg en plukte criminelen van straat. Ook onder berooide vluchtelingen is druk geworven. Na een korte training werden de vrijwilligers vanaf februari naar Kosovo gestuurd. Daar sloten lokale Serviërs zich vaak bij hen aan. Bij de aanvang van de NAVO-bombardementen op 24 maart liet men ze op de Albanese burgers los. `Weldoeners' als Arkan regelden bewapening, uniformen, vervoer en apparatuur – en leverden lijsten van de meest welgestelde burgers. In ruil droegen de milities een deel van hun buit af aan hun bazen.

Oost-Timor

De `milities' of paramilitaire organisaties op Oost-Timor zijn opgericht, bewapend en getraind door het plaatselijke garnizoen van het Indonesische leger om de onafhankelijkheid van het eiland te dwarsbomen.

Ze hebben krijgszuchtige namen als Bliksem (Halilintar) en Doorn (Aitarak) of namen die duiden op hun loyaliteit, zoals De IJzeren Vuist voor Rood en Wit (Besi Merah Putih), een verwijzing naar de Indonesische vlag, of Mahidi, wat staat voor `leven of sterven voor Indonesië'. In totaal zijn er ongeveer 20.000 paramilitairen op Timor. De meesten zijn plaatselijke bendeleden en vandalen, betaalde dienstplichtigen, migranten uit Indonesië en Oost-Timorese ambtenaren, die bang zijn om de onder Indonesisch bewind opgebouwde privileges kwijt te raken. De grootste militie, Aitarak, is 5.000 man sterk en wordt geleid door Eurico Guterres. Aitarak-militieleden waren vooral actief in Dili en omgeving. Ze zijn herkenbaar aan een zwarte hoofdband met `Aitarak' erop en gewapend met AK-47's. Volgens ooggetuigen werden de Aitaraks afgelopen zomer op het hoogtepunt van hun terreurcampagne geregeld bijgestaan door Indonesische regeringssoldaten. In juni werd Guterres tot hoofd benoemd van de instantie, die medeverantwoordelijk zou zijn voor de veiligheid rondom het referendum in augustus. Besi Merah Putih telt twee- of drieduizend strijders, geleid door Ilidio Dos Santos. Ook zij zouden door het Indonesische leger worden geassisteerd. Besi Merah Putih wordt verantwoordelijk gehouden voor de slachting in de kerk van Liquisa, in april, waarbij ten minste 52 doden vielen. João Tavares, een grootgrondbezitter in de Bobonarastreek, is leider van Halilintar, een 800 man sterke militie. Daarnaast zijn er nog enkele kleinere milities. Volgens de Verenigde Naties hebben veel milities zich na de komst van de internationale vredesmacht INTERFET teruggetrokken naar West-Timor waar ze nu de kampen met gevluchte Oost-Timorezen bestieren.

Colombia

De paramilitaire organisaties in Colombia zijn in de jaren zeventig door grootgrondbezitters opgericht uit zelfverdediging tegen de linkse guerrillabewegingen. Tegenwoordig is `zelfverdediging' van ondergeschikt belang. Daar zijn, net als bij de guerrillabewegingen, drugsbelangen en ontvoeringen – zeer lucratieve ondernemingen – voor in de plaats gekomen. Een recente en opmerkelijke ontwikkeling is dat de paramilitairen zich toeleggen op het ontvoeren van de eigen `rijke' achterban, landeigenaren, om de oorlog te kunnen blijven financieren. In Colombia zijn ongeveer tienduizend paramilitairen actief. De belangrijkste leider is Carlos Castaño, die tevens aan het hoofd staat van een paraplu-organisatie, Las Autodefensas Unidas de Colombia. Castaño werd naar eigen zeggen paramilitair, nadat zijn vader door guerrillastrijders was ontvoerd en vermoord, terwijl de familie Castaño het losgeld al had betaald. Het handelsmerk van de para's is terreur. Iedereen die verdacht wordt van sympathie of, gedwongen, medewerking met de guerrillastrijders is doelwit. Het geweld richt zich vooral tegen burgers; de para's komen zelden in contact met de guerrillastrijders. Soldaten van het Colombiaanse regeringsleger zijn vaak jong, ongemotiveerd en worden zeer slecht betaald. Soms verdienen soldaten bij als paramilitair. De paramilitairen maken ook gebruik van kinderen die zijn ontvoerd tijdens overvallen op dorpen. Zij worden vooral ingezet als spionnen en boodschappenjongens, maar ook als strijders. In 1996 kreeg een groep kinderen tussen de vijftig en honderd dollar om sympathisanten van de guerrillastrijders aan te wijzen, waarop een slachting onder de dorpsbewoners volgde. Kinderen in de `oorlogsgebieden' die hun eindexamen hebben afgerond, zien zich door de schrijnende werkloosheid vaak alleen nog maar gesteld voor de vraag of ze aansluiting zullen zoeken bij de paramilitairen of bij de guerrillastrijders.

    • Stéphane Alonso Menno Steketee