Ontzamelwoede

Altijd heeft er een taboe gerust op het afstoten door musea van voorwerpen uit de eigen collectie. Intussen puilen de depots uit en ontbreekt het geld om alles te beschrijven en te conserveren. Het congres `Grenzen aan de groei' doorbreekt de impasse met een leidraad voor helder ontzamelen. Wat te doen met tienduizend botspijkertjes en dertig tandartsstoelen?

AL DERTIG JAAR aast Museum Boerhaave op een Marshall-microscoop. Het Leidse museum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde bezit een van de fraaiste collecties microscopen ter wereld maar de Marshall, een vroeg 18de-eeuws type waarvan er zo'n twintig bewaard zijn gebleven, ontbreekt. ``Vorig jaar kwam er bij Christie's een onder de hamer'', zegt Boerhaave-directeur Gerrit Veeneman. ``We hebben tot ƒ250.000,- geboden maar moesten toezien dat één instelling daar bovenuit ging.''

Een kwart miljoen is een hoop geld, zeker voor Boerhaave. Veeneman: ``Een ruil met het Science Museum in Londen zou daarom mooi zijn. Zij hebben meerdere Marshalls en geen Leeuwenhoek-microscoop, wij vier Leeuwenhoek-exemplaren en missen de Marshall. Beide zijn internationale topstukken. Als we elkaar er een in langdurige bruikleen geven, gaan beide collecties erop vooruit. Wat ook kan is alsnog een Marshall op de vrije markt aanschaffen en hem financieren uit de verkoop van een Leeuwenhoek.''

Nu is er een probleem: er rust een taboe op het afstoten van een voorwerp uit de eigen collectie. Toen de gemeente Hilversum in 1987 zijn Compositie met twee lijnen van Mondriaan wilde verkopen, gaf dat een geweldige rel. In 1989 leidde het plan van Rudi Fuchs, toen directeur van het Haags Gemeentemuseum, om met de opbrengst van twee Picasso's en een Monet een aankoopfonds in het leven te roepen eveneens tot commotie. En afgelopen maart riep de voorgenomen verkoop door Museum Boijmans van Beuningen van het schilderij Gray, Orange on Maroon van Rothko, ditmaal ten behoeve van nieuwbouw, niet minder sterke emoties op. Tegenstanders zien een collectie als een organisme dat je met rust moet laten. Veeneman: ``Vroeger kon je als museum ontzamelen maar na de geruchtmakende incidenten met schilderijen is het verboden. Het mag niet van het Rijk en het Rijk is eigenaar van onze collectie. Altijd staat de cultuurhistorische waarde van een museumstuk voorop. Maar dat is een relatief begrip: wat voor de een van groot belang is hoeft dat voor de ander niet te zijn. Cultuurhistorische waarde wordt als argument gebruikt door mensen die niet willen dat er met museumspullen gehandeld wordt. Ik ga liever uit van een objectieve maat: de financiële waarde. Die wisselt weliswaar met de markt, maar bij ruilen geeft dat niet.''

UIT HUN VOEGEN

Niettemin is het tij aan het keren. In zijn Cultuurnota 1997-2000 Pantser of ruggengraat kondigde Aad Nuis het Museum Selectie Project aan. Selectie en afstoting, aldus de nota, verhogen de mobiliteit van collecties. Ze zijn nodig om de toegankelijkheid van de Collectie Nederland te verbeteren. Ook voorkomen ze dat de depots uit hun voegen barsten en dat de kosten voor conservering de pan uit rijzen. Nuis' opvolger Rick van der Ploeg trekt die lijn door. In zijn nota Cultuur als confrontatie schrijft hij: ``Selectie is de sleutel om de collecties beheersbaar te houden, of te maken en op te waarderen.'' Aan het Instituut Collectie Nederland (ICN) de taak om een gedetailleerde gedragscode voor selecteren en afstoten op te stellen.

Inmiddels heeft het ICN samen met vijf museumpartners – Kröller-Müller Museum, Haags Gemeentemuseum, Museum Catharijneconvent, Museum Boerhaave en Naturalis – een conceptleidraad voor het afstoten van museale objecten ontwikkeld. Deze staat ter discussie op het congres `Grenzen aan de groei' op 29 en 30 november in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Deze `gedragslijn voor museale beroepsethiek over afstoten' geeft argumenten pro en contra afstoten en bestaat verder vooral uit een een vragenlijst die musea moeten invullen voor ze daadwerkelijk tot afstoting mogen overgaan. Aan bod komen ethiek, collectiebeleid, kennis en informatie, recht, uitvoering en nazorg. Een invulformulier dient om de afstotingsoperatie nauwgezet te documenteren. Zo kan het museum een genomen besluit verantwoorden en reconstrueren. De code geeft geen antwoord op de vraag of een voorwerp al of niet moet worden afgestoten, die afweging blijft een zaak van het betrokken museum. Wel moet de gedragslijn bevorderen dat een besluit op professionele en heldere wijze tot stand komt.

Richt de publieke opwinding zich op het afstoten van topkunst, het probleem bij de wetenschappelijke musea schuilt vooral in de dreiging van onbeheersbare depots. Als er ergens moet worden afgestoten is het daar. De situatie bij Boerhaave is illustratief. In het karakteristieke voormalige V&D-magazijn aan de Leidse Herengracht beschikt Boerhaave over drie verdiepingen van in totaal 1100 vierkante meter. ``Het is echt als een depot ingericht'', zegt Veeneman. ``Daarin zijn we in Nederland uniek. We slaan de dingen op gerangschikt naar grootte en gewicht. De kleinere voorwerpen zitten weggeborgen in laden en in kasten, het grotere spul bewaren we in rekken achter plastic gordijnen. De basiskenmerken van al die voorwerpen – formaat, plaats van herkomst, maker, leeftijd, huidige staat en nog zo wat – zitten in de computer. Ieder jaar hebben we een rijksinspecteur over de vloer die controleert of we ons depot op orde hebben. Die kijkt of voorwerpen uit het computerbestand echt in het depot aanwezig zijn.''

Veeneman benadrukt dat de publieke functie van Museum Boerhaave, waarbij de educatieve en de visuele waarde voorop staan, vooral niet verward moet worden met de wetenschappelijke functie. ``De staatssecretaris wil dat alles wat we in depot hebben voortdurend beschikbaar moet zijn. Nu vind ook ik dat je je best moet doen om zoveel mogelijk van je collectie naar buiten te brengen, op scholen, in ziekenhuizen, en misschien hebben ze in Zutphen wel een museum dat twee zalen met natuurwetenschappelijke instrumenten wil inrichten. Kunnen ze zo krijgen, dan beheren wij het voor ze. Het liefst heb ik een open depot, waar de mensen na afspraak terecht kunnen. Het is toch te gek mooie spullen te hebben staan die geen mens kan zien. Maar los van dat alles staat de wetenschappelijke functie: het depot als archief van het wetenschappelijke denken in Nederland. Zoals bibliotheken manuscripten bewaren, en boeken, dragen wij zorg voor de instrumentele kant. Alles gaat op de foto: eerst zoek je er in onze bibliotheek een paar uit en vervolgens zetten wij de voorwerpen in het depot voor je klaar voor nader onderzoek.''

Het depot van Museum Boerhaave mag voorlopig met 60 à 70 vierkante meter per jaar groeien. Wat komt er bij? ``Uit de tijd van vóór 1850 hoegenaamd niets'', zegt Veeneman. ``Van die periode bezitten we een van de fraaiste collecties ter wereld en heel veel hebben we al. Natuurlijk blijven er wensen. Zo willen we die Marshall-microscoop. Maar zodra dat lukt zetten we die, omdat hij iets toevoegt, natuurlijk niet in het depot maar in de permanente tentoonstelling. Voor de rest hanteren we een aantal prioriteiten. Zo volgen we het Kamerlingh Onnes Laboratorium, verzamelen we voorwerpen van de Keuringsdienst van Waren en van Philips nemen we de elektronenmicroscopen.''

Wat Museum Boerhaave krijgt aangeboden is bijna altijd 19de-eeuws spul. ``En daarvan hebben we in Nederland gewoon te veel'', zegt Veeneman. ``Het liefst hebben we dat de universiteiten zelf hun spullen koesteren en de topstukken bij ons laten registreren. Als een laboratorium dan moet verhuizen, gaan wij er alsnog overheen. Dat gaat met een heel scherp mes, je hebt zo gauw te veel. Echt ingewikkeld is het verzamelen van spullen van na 1945. In ziekenhuizen wordt tegenwoordig alles iedere zes jaar vervangen, waar blijf je dan nog? Je moet niet verzamelen als je niet kunt beheren. Als je voorwerpen in je depot stopt waar niemand meer bij kan, omdat je ze belabberd catalogiseert en beschrijft, of omdat je zwaar achterloopt, ben je pas echt een barbaar. Onze collectie omvat zo'n 40.000 nummers, waarvan er 2.000 in het museum een plaatsje hebben. Juist omdat je ook archief bent moet je ontzettend selectief te werk gaan. Klimaatbeheersing is duur en het geeft geen pas wetenschappers een paar duizend vierkante meter depotruimte in te sturen en het ze vervolgens zelf te laten uitzoeken.''

Graag zou Veeneman een deel van de inventaris van het Boerhaave-depot willen afstoten – `ontzamelen' in museumtaal. ``Helaas ligt het Rijk dwars. Als je nu een betere fotospectrometer van Zeiss in je bezit krijgt, dan mag je je oude exemplaar niet wegdoen. Verder is in het verleden soms blind verzameld. Dan zette een academisch ziekenhuis of universiteitslaboratorium – die ook niets weg mochten doen – oude spullen op zolder en als die zolder vol was riepen ze er een museum bij. Zagen wij wat leuke stukken, maar nee: alles moest mee. Dus hebben we 400 schuifweerstanden staan, onzinnig gewoon. We komen om in de röntgennegatieven en we hebben wel tienduizend botspijkertjes liggen. Weg ermee, zou ik zeggen. Iedere generatie moet opnieuw een zeef hanteren. Natuurlijk met respect voor het verleden, met respect voor wat vroeger bijeen is gebracht. Dat een collectie een organisch geheel zou zijn, dat je er bij ontzamelen een arm afslaat, daar ben ik het niet mee eens. Er zitten dingen in ons depot die naar de oud-ijzerhandel moeten, maar ook voorwerpen die op de vrije markt de amateurverzamelaar zullen weten te bereiken.''

In afwachting van een ommezwaai bij het ministerie werkt Museum Boerhaave aan ontzamel-protocollen. ``Neem onze microscopen'', zegt Veeneman. ``Daarvan hebben we er zo'n duizend staan en zeker honderd moeten er weg. Intern maken we een catalogus en Gerard Turner, een erkend Brits expert op dit gebied, is gevraagd een onafhankelijk oordeel te formuleren. Van een paar exemplaren zei hij: zou ik niet wegdoen. Die voegen we dus weer aan de collectie toe. Op die manier krijgt je voorstel tot ontzamelen internationaal gezag. Dat maakt het tegelijk tot een dure zaak, maar zorgvuldige procedures kunnen niet zonder. Wie helder verzamelt, moet ook helder ontzamelen. Wat weg moet kun je, al dan niet via tussenkomst van een antiquair, op de vrije markt verkopen. In eerste instantie gaat het om een forse bulk-operatie, maar zodra die achter de rug is, speelt ontzamelen alleen als je van een instrument een beter exemplaar weet te bemachtigen.''

NOODKLOK

Ook de Nederlandse academische collecties zijn dringend toe aan ontzamelen. In 1995 luidden de vier klassieke universiteiten (Groningen, Utrecht, Leiden en Amsterdam) de noodklok: als gevolg van het jarenlang ontbreken van financiële middelen dreigden waardevolle collecties die binnen hun poorten werden bewaard ten prooi te vallen aan verval en vergetelheid. Staatssecretaris Nuis kwam over de brug met 12 miljoen om de ergste nood – slechte bewaaromstandigheden en conserveringsachterstanden – te lenigen maar verbond daaraan de voorwaarde dat de universiteiten hun collectiebeleid op elkaar zouden afstemmen. Voor de medische collecties is dat inmiddels gebeurd. Afgelopen juni publiceerde het Projectteam Academisch Medisch Erfgoed het rapport Medische collecties ontleed en kwam daarin tot de conclusie dat binnen drie jaar een reductie van dertig procent van de totale collectie haalbaar moet zijn.

``Een goed voorbeeld van overlap vormen de anatomische collecties'', zegt Willem Mulder, conservator geneeskunde bij het Utrechts Universiteitsmuseum en lid van het projectteam. ``Tegelijk hebben die voor de universiteiten een zeer speciale status omdat ze buitengewoon gerelateerd zijn aan coryfeeën die in Utrecht, Groningen, Leiden of Amsterdam gewerkt hebben. Het is natuurlijk van de gekke als we de Bleuland-collectie van Utrecht naar Leiden overhevelen, of de Vrolik-collectie van Amsterdam naar Groningen. Zo gaan we niet met het spul om. Wat wel kan: in Utrecht doen we wat meer aan oogheelkunde en als Groningen dan wat op dat terrein over heeft, kan je overwegen die voorwerpen hier onder te brengen. En als wij een psychologische test krijgen aangeboden zeggen we: ga naar Groningen, daar hebben ze veel meer op dat gebied en de mensen hebben er verstand van.''

Bij het snoeien in de Utrechtse tandheelkundige collectie hecht Mulder eraan rekening te houden met de beroepsgroep die de voorwerpen heeft aangeleverd. ``Die is erg betrokken en ziet het liefst dat de collectie zo gedetailleerd mogelijk bij elkaar blijft. Maar moet je alles verzamelen? Inmiddels hebben we dertig tandartsstoelen en iedere maand meldt zich wel iemand die er een komt aanbieden. Als het om een iets ander type gaat kom je al snel in de verleiding hem aan te pakken, maar je hebt de ruimte niet. Je moet rigoreus zijn, nagaan of min of meer identieke stoelen niet weg moeten. Tegelijk is behoedzaamheid geboden: mensen hebben hun spullen in vertrouwen aan het museum geschonken en dat schend je door ze na tien jaar af te stoten. Maar als zich nu een tandarts met wat stukken meldt, maken we steevast het voorbehoud dat we mogen afstoten wat we niet kunnen gebruiken.''

Op het ICN-congres komt behalve de gedragscode ook een zestal casussen aan de orde. Museum Boerhaave stelt de ruil van topstuk tegen topstuk aan de orde, het ICN buigt zich over de eventuele museale waarde van 2.014 BKR-werken, het Haags Gemeentemuseum behandelt de collectieomvang in relatie tot de schaal van het gebouw en de organisatie, Catharijneconvent gaat in op het terugplaatsen van objecten in kerken, Kröller-Müller heeft het over het ontmantelen van een installatie in slechte staat die aan kunstenaar Dennis Oppenheim wordt teruggegeven en Naturalis ten slotte bespreekt selectie aan de poort.

Die laatste casus betreft een omvangrijke universitaire onderzoekscollectie uit het natuurgebied Meijendel, gelegen in de duinen tussen Wassenaar en Den Haag. ``In de jaren vijftig en zeventig heeft de vakgroep oecologie van de Universiteit Leiden onderzoek gedaan naar de bodemfauna in dat gebied'', zegt Jan van Tol, hoofd entomologie bij Naturalis. ``In de grond zijn blikken ingegraven waarmee in totaal 36.500 monsters met ongewervelde dieren zijn verzameld, vooral loopkevers en spinnen. De collectie is wetenschappelijk belangrijk omdat hij een documentatie biedt van een veranderend milieutype. Tijdens de zeven jaar dat er is verzameld zijn er in Meijendel spaarbekkens aangelegd ten behoeve van oppervlaktewaterwinning.''

Eind jaren tachtig beschouwde oecologie te Leiden het onderzoek als afgesloten en verdween de collectie, opgeslagen in laatjes en in potten met alcohol, in verhuisdozen. ``Die zijn daarna in het Zoölogisch Laboratorium wel drie keer op en neer verhuisd van de kelder naar de zolder'', zegt Van Tol. ``Op een gegeven moment van ruimtenood, toen de dozen bijna uit elkaar vielen en een belangrijk gedeelte van het materiaal was uitgedroogd, is besloten het materiaal maar weg te gooien. Toen wij daar niet zo lang geleden lucht van kregen, hebben wij ons het lot van de collectie aangetrokken. We konden hem zo meekrijgen en nu staat alles in Naturalis. Het probleem is alleen dat de Universiteit Leiden er geen zak geld bij heeft gestopt om een ordentelijke selectie, conservering en beschrijving van het materiaal mogelijk te maken. Bij de overdracht van de met Meijendel vergelijkbare collectie van het Biologisch Station Wijster kwam die financiële ondersteuning er wel: de kosten zijn toen gedeeld door de Landbouwuniversiteit Wageningen, de Mondriaan Stichting en Naturalis.''

ALCOHOL

Een belangrijk criterium voor Naturalis om de Meijendel-collectie over te nemen is dat er in internationale vaktijdschriften over was gepubliceerd. Van Tol: ``Eerst is er stevig gesaneerd, waarbij van al het verdroogde materiaal dat is weggegooid lijsten zijn aangelegd. De alcohol is ververst en het glaswerk is vernieuwd – de meeste potten moesten we stukslaan – zodat de conservering aan onze standaardeisen voldoet. Maar de documentatie blijft noodgedwongen achter, die moet nog een keer op een hoger plan getild worden. Bij de selectie van wat je wilt bewaren en wat niet gaat het erom de informatiewaarde per object zo hoog mogelijk te krijgen. Tegelijk wil je dat het onderzoek aan het materiaal reconstrueerbaar blijft. In het geval van Meijendel was de uitkomst dat we drie verzameljaren compleet bewaren. Daar moet dan eigenlijk nog een selectieronde overheen om de talrijke soorten – de spreeuwen en mussen onder de insecten – in te perken. Depotruimte is extreem duur en geen mens heeft er wat aan als we Naturalis volstouwen met algemeen spul. Wat redundant is aan collecties moet je er zonder pardon af schuimen.''

Wanneer het ICN-congres is uitgediscussieerd ligt de bal weer bij de staatssecretaris. In Cultuur als confrontatie toonde Rick van der Ploeg zich geen tegenstander van ontzamelen. Wel zijn er restricties. `Delen van de collecties kunnen in principe worden verkocht wanneer de gehele opbrengst wordt gebruikt voor opwaardering van de Collectie Nederland en dus niet om dakpanreparaties, uitbreidingen en dergelijke te financieren', schrijft Van der Ploeg. Ook eist hij dat de nieuwe eigenaar de verkochte objecten aan het publiek toont. Hoe dat met die botspijkertjes en röntgennegatieven moet, zegt hij er niet bij.

    • Dirk van Delft