Muisdoorn

Er is niet veel te zien buiten, de tuin is halverwege zijn jaarlijkse metamorfose tussen donker gebladerte en open hemel. Het contrast is zo sterk dat je in het begin bijna niet naar boven durft te kijken. Nog niet alle bladeren zijn afgevallen en zoals altijd in dit stadium van de herfst vind ik dat ze er prachtig uitzien, zo heuvelachtig op de grond, alles wat hoekig is verbergend onder een bruinrode beddensprei. Waarom laat ik ze niet gewoon liggen? Terwijl ik ze wegveeg ontdek ik dat er toch nog verrassingen zijn: een paar cyclamen die nog bloeien, een paar onverwachte cyclamenblaadjes waar nooit cyclaam werd geplant, meer bessen dan ooit rondhangend in de opengesprongen zaaddozen van de Iris foetidissima en ten dode gedoemde ontijdige groei bij de Acanthus mollis. Wat een idee, om op dit tijdstip met zulke grote lentebladeren te komen. En, de grootste verrassing van allemaal, felrode bessen op de Ruscus aculeatus. Die kocht ik in het voorjaar, een plant die de reputatie heeft excentriek te zijn, en ik had haar, of dat dacht ik, regelmatig onderzocht op tekenen van excentriciteit. Merkwaardig hoe vaak je bij het tuinieren het moment kunt missen waarop iets gebeurt en het dan, bij toeval, veel later ontdekt, soms als het al bijna voorbij is.

Deze ruscus is een klein stekelig groenblijvend heestertje waarvan ik de naam aantrof op een lijst van schaduwplanten. Het lijkt een beetje op het bestellen van boeken via Internet: je weet nooit precies wat je zult krijgen. Ik was inderdaad verrast toen ik de Ruscus aculeatus zag die de kwekerij voor mij opzij had gezet. Hij had een stengel van dertig centimeter, met hele kleine en zeer stekelige bladeren, plus twee andere stengels, zo kort dat ze maar net bij de grond kwamen en die op aspergepunten leken. Nu zijn ze allemaal even lang en ik weet er nu ook genoeg van om mee te kunnen delen dat wat er uitziet als bladeren in feite `cladoden' zijn, afgeplatte stengels. De echte bladeren zijn microscopisch klein en zitten samen met de bloemen op de hoofdnerf van de cladode: zoals wij het zien midden op het blad.

De bloemen ontstaan vroeg in het jaar en gaan open in het voorjaar. Ze zijn dofwit en zelfs de meest welwillende tuinschrijver weet er geen geestdriftiger woord voor te vinden dan `onopvallend'. Maar het interessante is dat ze verkrijgbaar zijn in mannelijke en vrouwelijke versies, elk met een hele plant voor zichzelf, en als er geen mannelijk exemplaar in de buurt is komen er aan de vrouwelijke plant geen bessen. Toen ik een – vrouwelijke – Skimmia kocht heb ik gegokt dat er ergens in de buurt een mannelijke zou zijn (ze bloeien allebei, maar alleen aan de vrouwelijke plant komen, als ze bestoven zijn, bessen). Volgens de kweker was een mannelijk exemplaar binnen een straal van driehonderd meter voldoende: volgend jaar zal ik dus weten of hij bestaat, zij het niet waar.

Wat een goed idee is voor de skimmia, is dat in elk geval niet voor de ruscus, waarvan ik nooit ergens een andere heb gezien. Daarvan bestaat gelukkig ook een hermafroditische vorm, die het helemaal op z'n eentje doet, met gegarandeerde bessen op elke plant; dat is wat ik heb gekocht.

Op een van mijn twee planten had ik al twee lichtgroene bessen gezien, als parels in een oester, precies in het midden van het `blad'. Maar plotseling rode bessen aan te treffen was toch verrassend, deels omdat er veel meer van zijn en deels omdat ze wat te groot lijken, alsof ze gemaakt waren op een andere schaal. Ook zijn ze zo opvallend rood dat je haast denkt dat ze erop zijn geplakt, een beetje aan de vroege kant voor Kerstmis. Iemand aan wie ik ze liet zien zag er ook meteen een kerststukgrondstof in.

De `bladeren' van de ruscus zijn ontzettend stekelig, ik heb nog nooit zo'n vijandige plant meegemaakt. Zij wordt dan ook aanbevolen voor 'het weren van mensen en dieren uit de intiemere delen van de tuin' – een plantaardige kuisheidsgordel als het ware – ja zelfs tegen een voetbal zou zij effectief zijn. Zij wordt zowat een meter hoog, en elke stengel duurt een jaar of drie; ik heb haar aanbevolen gezien voor heggen die van onderen kaal zijn. Maar haar grootste verdienste is dat zij een van de weinige groenblijvende planten is die gedijen in droge schaduw.

In het verleden werden de stengels gebruikt ,,om slagerswinkels te versieren, of winkels waar spek en kaas verkocht werd, want zij vormen een ondoordringbare doornhaag waar geen muis doorheen kan'' (Anne Pratt, in 1855). Zouden de walletjes van peterselie die je soms bij de slager ziet een overblijfsel zijn van deze ruscusstengels? Daar komt in elk geval de Hollandse naam vandaan: muisdoorn. In het Engels is de plant bekend als `Butcher's Broom', want de stengels werden ook gebruikt – voor of na de muizen te hebben tegengehouden? – voor het schrobben van hakblokken. J.C. Loudon schreef dat in Bretagne van de plant borstels werden gemaakt om kookgerei te schuren (ruscus is inheems in een hele strook Europa vanaf Zuid-Engeland tot de Kaukasus). Dat herinnert Alice M. Coats aan Adam Lambsbreath in Cold Comfort Farm van Stella Gibbons, die de vaat `clettert' met een takkenbos.

Ik wist wel dat er iets ontbrak toen ik naar mijn ruscussen keek. Daar stonden ze, of beter gezegd hurkten ze, want ze zijn nog erg klein, en ze herinnerden me aan niets. Ik kon wel zien dat ze er raar uitzagen, met hun bladeren verticaal omhoog en die bessen midden op het blad, en dat was alles. Maar nu roepen ze dus de oude Adam op, die langzaam de borden clettert, met de koeien – Aimless, Feckless, Pointless en Graceless – op de achtergrond. En als de mijne niet genoeg bessen voortbrengen, wel, dan kan ik nog altijd de vaat met ze cletteren.

    • Sarah Hart