Markt heeft geen oog voor politieke bezinning

De politiek in Den Haag begint zich te bezinnen op de privatisering van nutsbedrijven. Intussen dendert de trein van marktwerking in veel sectoren op volle snelheid door. Deze week vooral bij de stroomproductie.

Soms bekruipt politici het gevoel dat de samenleving sneller verandert dan dat zij hem kunnen inrichten. De afgelopen maanden gaven diverse Kamerleden uiting aan een opkomend gevoel van onbehagen over het aan de vrije markt overlaten van publieke nutstaken. Woensdag voegde premier Kok zich bij deze stemmen, toen hij zei het tijd te vinden voor ,,nadere reflectie''.

Afgelopen week bleek echter dat de liberalisering en privatisering zich al in een razend tempo voltrekt, zeker in de stroomsector. Op de avond dat de Commissie-Herkströter een advies uitbracht over de verdeling van de financiële erfenis uit de periode dat de electriciteitsvoorziening nog gewoon verzorgd werd door overheidsmonopolies, viel de laatste verkoopbare stroomproducent in buitenlandse handen.

Het was tevens de week waarin minister Jorritsma (Economische Zaken) besloot dat kleine consumenten al in 2003 in plaats van 2007 hun stroomleverancier mogen kiezen, en de week waarin bleek dat die leveranciers momenteel in een niets ontziende strijd zijn verwikkeld om de grote industriële klanten. Daarbij lopen provincies en gemeenten als marktpartijen grote financiële risico's. In een naburige nutssector kwam `marktpartij' NS hardhandig in botsing met aandeelhouder èn opdrachtgever Netelenbos (Verkeer en Waterstaat) over de concessie voor de Hoge Snelheids Lijn naar Parijs.

In de sector die zich bezighoudt met het opwekken van elektriciteit in Nederland zijn de kaarten voorlopig wel geschud. Met de donderdag beklonken verkoop van de grootste elektriciteitsproducent Epon aan de Belgische monopolist Electrabel (onderdeel van het Franse conglomeraat Suez Lyonnaise des Eaux) is de opengestelde Nederlandse markt voor het opwekken van stroom verdeeld tussen bedrijven met hoofdkantoren over de grens: Una (met centrales in Noord-Holland en Utrecht) werd in maart al verkocht aan het Texaanse Reliant Energy, terwijl de Zuid-Hollandse centrales van EZH op de balans staan van het Duitse Preussen Elektra. Alleen de centrales in het zuiden des lands hebben nog indirecte banden met de overheid: EPZ is een dochter van het distributiebedrijf Pnem-Mega, dat in handen is van Brabantse en Limburgse overheden.

Behalve dat de verkoop van Epon en het rapport van de Commissie-Herkströter op één dag samenvielen, hebben ze ook een oorzaak gemeen: gekibbel. De Nederlandse markt voor het opwekken van stroom zou nooit onder drie buitenlandse partijen zijn verdeeld, als in 1998 het gezamenlijk te vormen Grootschalig Productie Bedrijf niet uit elkaar was gespat. Onderlinge ruzies in de sector verhinderden de vorming van een onderneming die de concurrentie op een vrije Europese markt aan zou kunnen. Daarop besloten drie van de vier Nederlandse spelers hun centrales bij opbod te verkopen.

Diezelfde onderlinge conflicten vormen de aanleiding voor de opdracht aan de Commissie-Herkströter. Minister Jorritsma deed de stroomproducenten eind vorig jaar een achteraf bezien genereus bod voor het wegwerken van de beruchte `bakstenen', contracten uit het verleden die in een vrije markt onrendabel zouden blijken te zijn. De overheid zou de kosten van kolenvergasser Demkolec en stadsverwarmingsprojecten - geschatte schade 2,1 miljard gulden - op de schouders nemen, en een flinke bijdrage leveren aan een aantal onrendabele importcontracten.

De bedrijven konden het onderling niet eens worden over de verdeling van de overblijvende kosten. Daarop ging het aanbod van Jorritsma begin dit jaar van tafel. Achteraf had de sector het voorstel met beide handen moeten aangrijpen. Nu adviseert Herkströter de minister een maximale bijdrage van 1,3 miljard gulden. Dat de sector, die de bui zag hangen, woensdagavond te langen leste met een alternatief verdelingsplan kwam, is mosterd na de maaltijd.

Intussen lijkt de stemming in politiek Den Haag om te slaan. Tot voor kort was de discussie voorbehouden aan sectorspecialisten in de fracties, die op terreinen als energie, openbaar vervoer of sociale zekerheid allemaal zo hun eigen ideeën over marktwerking hadden. Inmiddels betreden politieke kopstukken het strijdtoneel. Dat begon met minister Pronk, die deze zomer in het kabinet plannen van Jorritsma voor de privatisering van de drinkwatervoorziening torpedeerde. Binnen Paars kwamen daarmee de diametraal tegengestelde visies op markt en overheid bovendrijven. Oppositieleider De Hoop Scheffer maakte daar rond Prinsjesdag gebruik van door een ,,rem op de privatisering'' te bepleiten. Het CDA slaagde erin om de Kamer de beursgang van de NS te laten blokkeren. In oktober voegde PvdA-fractieleider Melkert zich in het kritische kamp. Hij verkondigde ,,nee, tenzij'' als richtlijn bij voor het afstoten van ,,vitale publieke taken''.

De discussie over privatisering is deze week op het allerhoogste politieke niveau beland. Premier Kok weerde zich woensdag in de Eerste Kamer tegen kritiek op lopende operaties. Maar Kok vond het wel tijd voor ,,nadere reflectie'' op het nut van de privatisering van overheidstaken. Hij stelde dat er niet op de ,,automatische piloot'' moet worden doorgegaan. ,,Wat wilden we, waar zijn we terecht gekomen, en waar willen we naartoe'' – vragen die Kok nog voor de Kerst in een nota gaat beantwoorden.

In dat licht is het des te opmerkelijker dat Jorritsma (VVD) donderdag in de marge van het rapport Herkströter aankondigde dat zij het meerderheidsbelang van de overheid in het landelijke elektriceitsnet (Tennet) wil opgeven. Jorritsma weet dat een Kamermeerderheid wil dat de overheid de greep op deze vitale infrastructuur juist versterkt.

    • Jaco Alberts
    • Karel Berkhout