Lawaai is de terreur van deze tijd

De meeste mensen lijden in toenemende mate onder de terreur van het lawaai. Zelfs binnenskamers kunnen zij tegenwoordig niet meer aan de hel van de geluidsoverlast ontsnappen. Er kan alleen een eind aan hun lijden komen als zij wilskracht durven tonen en campagne voeren om bijvoorbeeld in de treinen zones te reserveren voor de overlast van de draagbare telefoons, meent Jean-Michel Delacomptée.

In een tijdschrift stond laatst een foto van de Franse staatssecretaris voor Stadszaken, de heer Bartolone, zittend in een kart. Met een lachend gezicht verklaart hij ons dat de regering zorgdraagt voor de buitenwijken. We geloven het graag. Maar het prentje verbaast ons: al biedt de kart misschien een oplossing voor de toekomst, hij levert in de eerste plaats lawaai. Jongeren zijn er ongetwijfeld dol op, de buren uiteraard minder. Niemand bekommert zich om dit soort kleinigheden: het recht op stilte is maar een heel bescheiden recht, nauwelijks officieel erkend en zelfs vaak als hinderlijk beschouwd. Uitlating van een zure knorpot? Iets meer.

In het interview dat bij deze foto hoorde wijdde de minister geen woord aan dit onderwerp: het lawaai maakt deel uit van het decor. De gemiddelde sterveling houdt ervan of legt zich er bij neer; de bevoorrechte beschermt zich ertegen. Het kwaad treft niet iedereen, maar de meesten van ons lijden eronder. Er is geen wijkplaats. Men bouwt, men graaft, men rijdt. Als de situatie verergert moeten de overgevoeligen maar hun toevucht zoeken in de bossen, de dromers in oordopjes en de wijzen in verbanning.

De moderne individualist is nu eenmaal een lawaaiig dier. Hij snoeit zijn heg wanneer het hem zint, blaast op zijn toeter met open raam, schaterlacht onbeschaamd en spreekt luid. De rust van de zieken raakt hem niet. De slaap van de werkers laat hem onverschillig. De vredigheid van de stadsparkjes, de zondagen verpest door motorzagen, het zal hem worst wezen. Wij lijden er allen onder, maar niemand waagt te reageren – de herrie, nachtelijk of niet, maakt deel uit van de dagelijkse onbeleefdheden.

Ooit kon men lezen in de sneltreinen. Nu is het een gok: een omroeper verkondigt de heerlijkheden van het buffet, de walkmannen sissen, de elektronische spelletjes biepen, het signaal van de draagbare telefoons schalt in onze oren; en dan volgt het gekakel, gestoord door dat van anderen, de stemmen vermengen zich, het volume neemt toe. Nadenken? Niet eenvoudig. Slapen? Onmogelijk. Een treinreis is geen reizen meer, het is een bulderbaan.

De bulldog van de buren blaft tot diep in de nacht. Wie gaat klagen? Dat zou heel ongepast zijn, een inbreuk op andermans privacy. Ons fatsoen weerhoudt ons ervan. Je vervloekt de eigenaar, je scheldt op het beest, maar je zwijgt: het dier zal zich niet koest houden, wij wel.

Een vertrouwd tafereel: een zwerm arbeiders bouwt een flatgebouw in de straat. Ze hebben een kraan geplaatst onder mijn ramen, een bulldozer doorwoelt de grond, drilboren knagen in het beton, zaagmachines doorsnijden het ijzer, het werk duurt al een half jaar. Als het gebouw klaar is beginnen ze verderop. Mooi zo, de huizenbouw floreert. Het genadeloze gedreun van de pneumatische hamers betekent nieuwe woningen en werk in de bouw. De burger is verheugd, de trommelvliezen lijden. Ofwel, om drie uur 's nachts komt een zware motorfiets voorbij en wekt je, en dan nog een, en dan een derde. De morgen breekt aan zonder dat je weer kon inslapen. Het wordt een zware dag.

Wie komt in opstand? Het lijkt of het land er onverschillig voor is, of er juist dol op is: Hoe meer lawaai de geest bereikt, des te leger hij wordt. Het schept een feestelijke stemming, die ons gelukkig maakt. Net als in de supermarkten, waar de klanten langs de schappen glijden in een puree van muziek met klonten reclameteksten. En op straat, de sirenes van de brandweer, de ambulances, de optochten; helikopters die overvliegen; claxons, dolgedraaide cassettespelers in automobielen (de power is meestal rechtstreeks gekoppeld aan het contact). Feestelijkheden in de stadscentra, fanfares. 's Zomers geen uitje meer zonder schallende CD's; de stranden, de campings, éénzelfde ellende. Men leeft luidkeels.

Hier vlakbij is een restaurant dat gespecialiseerd is in huwelijksfeesten en in het weekeinde aan karaoke doet: het geblèr klinkt ver rondom tot de morgenstond. Verderop gaat steeds als het regent het alarm af van een of ander bedrijf, de gruwel gilt dan uren lang. In de provincie, en steeds meer ook in Parijs, laten de cafés vaak hun installaties brullen, met videovoetbal en clips op groot scherm: je drinkt een biertje, je pakt een wijntje en je komt er gek vandaan.

O zeker, het zijn maar kleine ongemakken, vergeleken bij de wereldrampen. Het is, zal men zeggen, de noodgedwongen keerzijde van de individuele vrijheid, de prijs van de moderniteit: wij bewegen ons in een maatschappij van de welvaart, gegrondvest op motoren en beton, en nu op elektronica, met een onontkoombare groei waarvoor wij de prijs moeten betalen. De herrie wordt gezien als een soort lichte vervuiling, veel minder ernstig dan lood of ozon, een heus maar onvermijdelijk ongerief. Toch is de zaak niet zo eenvoudig. In de eerste plaats omdat men het hier slechts over de neerslag van het normale leven heeft. Men zou moeten beginnen met de snelwegen zonder geluidswanden door de dichtbevolkte buitenwijken, de woonhuizen langs de spoorwegen, de omwonenden van de Parijse randweg, de woonwijken bij de vliegvelden.

Want het is een feit: om de feestneus te temmen die al maanden lang je nachten vergiftigt, of de geluidsinstallaties van de kermis aan de rand van het park die niet weg te branden is, kun je praktisch nergens op enig gehoor rekenen, tenzij je een vereniging opricht (of verhuist). Zonder enige garantie op succes. Als het waar is dat de wetten er zijn om overtreden te worden, dan genieten ze op dit gebied wel van een zeer rijke voedingsbodem. Tegen geluidsgeweld valt vrijwel niets te doen: je vecht tegen de bierkaai.

En toch zijn er wel oplossingen. En waar ze ontbreken kan men ze vinden. De autoriteiten beijveren zich zeer op het gebied van de gassen (broeikaseffect, allerlei uitstoot) in de lucht die wij met onze longen inademen. En al is op het gebied van de geluidsgolven de zaak minder urgent, zij is er niet minder ernstig om. Het ontbreekt slechts aan wilskracht.

Een bewijs: van de nieuwe fiscale premie, gedeeltelijk bestemd voor de promotie van de bouw, wordt geen cent besteed aan de dringend noodzakelijke geluidsisolatie van de infrastructuur van spoorwegen en snelwegen. Maar sowieso: wat belet ons om campagne te voeren onder het publiek, in de eerste plaats om in de treinen zones te reserveren voor de overlast van de draagbare telefoons, en ook ruimten in de restaurants? Rokers worden gediscrimineerd, waarom niet ook herrieschoppers?

Het probleem is niet beperkt tot het comfort van ieder mens afzonderlijk, het gaat om de regels van de vrijheid zelf. Overmatig lawaai rukt mij uit mijn intimiteit, stuurt de loop van mijn gedachten, drukt op mijn zielerust. Ik ben nog slechts een pion in die hel die mij belet te lezen, te dromen, te leven naar mijn eigen aard.

Het lawaai is van aard veranderd: wat het nu zo walgelijk maakt komt minder van de arbeid en minder nog van de natuur, dan wel van die voordurende, alomtegenwoordige, stompzinnige en overbodige manifestatie van de dingen. Het is het exorbitante gebruik daarvan dat onze weerzin wekt. Evenals de herrie van de pneumatische compressoren mijn recht op stilte loochent, wordt door de individualist die telefoneert in de bus of die mij de woordenbrij van zijn tv opdringt, de grens geëlimineerd tussen zijn wereld en die van de anderen: in het ene geval vernietigt hij de openbare ruimte, die hij vereenzelvigt met de zijne, in het andere dringt hij mijn ruimte binnen, die hij tot de openbare maakt. Zijn waanzin besmet mij. Als slachtoffer van de geluidstirannie word ik vernietigd als staatsburger: ik word decibellenvlees, zoals men ooit sprak van kanonnenvlees.

Het probleem is niet alleen persoonlijk, maar ook politiek. In het continu volpompen van de geluidsorganen, het compact volstampen van de hersenpannen door de marketing, ziet men éénzelfde ontkenning van de individuele eigenheden. De cultuur van het lawaai is een product van een gemechaniseerde wereld waarin de cultus van de dingen de subjectiviteit van de personen dreigt te amputeren. Vandaar de uniformering van de gedragspatronen, de voorliefde voor simpele genoegens, de aantrekkelijkheid van het kortstondige, van glimmende dingen, van kitsch, van het pragmatisme in plaats van het denken. Zo'n maatschappij ontkent het wezen van individuen. Sterker nog: zij heeft het grootst mogelijke belang bij deze minachting. Het aanhoudend aanspreken van het gehoor weerhoudt de consument van nadenken.

Propaganda, publiciteit, bombarie: hoe minder de mensen denken, des te meer kopen ze, des te minder stemmen ze, des te beter voor de heersers. De kippen leggen het best bij blèrmuziek. Het is een kwestie van lichamelijke integriteit en respect voor anderen, een zaak van milieupolitiek: vanuit dit oogpunt – en vanuit vele andere – zijn de ecologische eisen een eminente vorm van democratie.

Jean-Michel Delacomptée is schrijver en lector aan de universiteit van Bordeaux-III.

©Le Monde

    • Jean-Michel Delacomptée