GESLACHT VAN VEULEN HANGT AF VAN CONDITIE VAN DE MERRIE

Evolutiebiologen rekenen graag aan voortplantingsstrategieën van dieren met een haremsysteem. Ze richten zich vooral op de sekse ratio bij nieuwgeboren dieren. Een team van ecologen en dierenartsen van de Massey University in Nieuw Zeeland, testte onlangs bij wild levende paarden de zogenaamde Trivers-Willard hypothese uit 1973. Die behelst dat wanneer het reproductieve succes van mannetjes bij die soort sterk uiteenloopt, moeders in betere conditie relatief meer zonen zullen produceren, terwijl moeders in armzaliger conditie juist meer dochters voortbrengen.

Het achterliggende evolutionaire en genetische rekenwerk is simpel maar doordacht. Een buitengewoon geslaagde zoon zal als topman op zijn beurt vele nakomelingen voortbrengen. Een minder geslaagde seksegenoot kan bij polygame soorten echter ondanks levenslange grote voortplantingsijver op nul uitkomen, doordat vrouwelijke dieren weigeren voor hem te kiezen.

Vrouwelijke nakomelingen komen bij de voortplanting altijd wel aan de bak. Maar hun maximale score zal altijd ver achterblijven bij die van topmannetjes die vele malen vaker kunnen bevruchten dan een vrouwtje een jong kan voortbrengen. Een vrouwelijk dier zal dus het beste kunnen `kiezen' voor een zoon als zij conditioneel in staat is een topzoon te leveren. Wie gezien de omstandigheden liever op zeker speelt heeft met een dochter aantrekkelijke kansen; wie op genetische topwinst wil gokken kan de voorkeur hebben voor een zoon.

De berichten uit Nieuw Zeeland sluiten daar mooi bij aan. Het onderzoeksteam volgde jarenlang de gang van zaken bij in het wild levende Kaimanawa paarden (Equus caballus). Het zijn de laatste in Nieuw Zeeland in het wild rondlopende paarden die gedurende de vorige eeuw verwilderden. Natuurbeschermers zien de paarden het liefst verdwijnen, dierenbeschermers niet. De onderzoekers brachten de bij geboorten gevonden sekseratio bij veulens in verband met de daarvoor vastgestelde conditie van de moeder tijdens de conceptie. De praktijk bleek de theorie te volgen. Merries die een vrouwelijk veulen kregen waren daarvoor gemiddeld in duidelijk mindere conditie dan merries die een klein hengstje ter wereld brachten. En merries die in achtereenvolgende jaren veulens van verschillende seksen voortbrachten, waren aantoonbaar in slechtere conditie in de periode dat zij drachtig raakten van hun vrouwelijke veulens (Behavioral Ecology 10/5, blz. 472-475.)

Er bleek geen relatie te zijn tussen de sekse van nakomelingen en de conditie halverwege de zwangerschap: die tijdens de conceptie gaf de doorslag. Ook was er geen verschil in werpfrequentie in relatie met de lichamelijke conditie tijdens de conceptie. Dat is veelbetekenend: afwijkingen in de sekseratio kunnen dus niet teruggevoerd worden op verlies van foetussen in de baarmoeder. Bovendien kan het idee van uiteenlopend verlies van foetussen van de meest veeleisende en minst levensvatbare sekse niet de hoge populariteit van zoons bij merries in betere conditie verklaren.

Dat de Trivers-Willard hypothese nu bij paarden lijkt op te gaan, is extra boeiend omdat die een mooi zuiver voorbeeld leveren. Andere tot nu toe onderzochte dieren met een haremsysteem, zoals zeeolifanten of edelherten, hebben een sterker uitgesproken geslachtsdimorfie dan paarden. Het voortbrengen van een mannetjes-zeeolifant van aanvaardbare kwaliteit kost bijvoorbeeld al veel meer dan dat van het veel kleinere vrouwtje. Daardoor alleen al worden de kosten en baten berekeningen voor menselijke waarnemers onoverzichtelijk. Het verschil tussen hengsten en merries is minder opvallend. Dat paarden nu de gelederen van aantoonbaar sekseratio manipulerende dieren versterken, geeft aan dat het koppel Trivers-Willard – respectievelijk bioloog en wiskundige – met een theoretische voorspelling iets tastbaars op het spoor kwam: berekenende geslachtskeuze. (Frans van der Helm)

    • Frans van der Helm