Emoties en de Kamer

HET BEROEP POLITICUS leent zich maar moeilijk voor een vastomlijnde definitie. De taakopvatting zelf is immers voor een belangrijk deel politiek bepaald en dus verschillend. Om het grof te schetsen: liberalen zullen vanuit hun gedachtengoed een minder ambitieus verwachtingspatroon van de politiek hebben en daar ook naar handelen dan, bijvoorbeeld, sociaal-democraten.

Het betreft hier het werkterrein dat de politicus zich toeëigent; daarmee is nog weinig gezegd over de wijze van politiek bedrijven op dat terrein.

Wat kan er van de politicus worden verwacht? Ook hierover bestaan tal van meningen. Heel treffend is de typering die oud-CDA-politicus De Koning ooit gaf van zijn vak. In zijn zienswijze was het de taak van de politicus de mens een meter verder te krijgen dan waartoe hij van nature bereid is. Meer in lijn met de liberale traditie is de omschrijving van de Franse staatsman De Talleyrand, die stelde dat de ware politicus het onvermijdelijke vroegtijdig herkent, het niet al te zeer bestrijdt om het vervolgens te bevorderen.

De vraag is hoe de huidige generatie politici aankijkt tegen het mandaat dat zij van de kiezer heeft gekregen. Met het verdwijnen van de zuilen en het verdampen van de oude ideologieën lijkt bij veel volksvertegenwoordigers ook hun rol veranderd. De politicus is `ingehuurd'. Dat veel van de kiezers dit zo zien, is nog te begrijpen, het probleem is echter dat het de politici zelf zijn die zich meer en meer als louter `ingehuurd' beschouwen. Het zijn de resultaten van beraadslagingen in zogeheten focusgroepen, enquête-uitslagen dan wel de gesprekken in de populaire praatprogramma's op televisie die de toon zetten. De politicus wordt op die manier steeds minder leidend en steeds vaker volgend.

WAAR DEZE ZEER beperkte functie-omschrijving toe leidt is de afgelopen weken in Nederland verschillende keren in de Tweede Kamer gebleken. Zeer duidelijk kwam deze nieuwe instelling naar voren tijdens het debat over de begroting van Justitie, enkele weken geleden. Aangespoord door de fikse publicitaire aandacht voor recidiverende zedendelinquenten, vertoonde de Tweede Kamer tegenover minister Korthals een oefening in flinkheid, zich uitend in een roep om zwaardere straffen en strenger toezicht op vrijgelatenen. Vanzelfsprekend dienen parlementariërs geluiden en gevoelens uit de samenleving serieus te nemen. Iets anders is of dit in de Tweede Kamer moet leiden tot het tegen elkaar opbieden als het gaat om zwaardere regelgeving. Dit was bij de begrotingsbehandeling van Justitie duidelijk het geval. Redelijke argumentatie legde het toen af tegen de vertolking van het sentiment van de straat.

Iets soortgelijks doet zich nu voor bij het debat over de gasboringen in de Waddenzee. Het kabinet is deze week geconfronteerd met een zeer breed gesteunde motie van de Tweede Kamer (alleen de VVD was tegen) waarin wordt uitgesproken dat verdere booractiviteiten in dit natuurgebied niet gewenst zijn. Op het eerste gezicht een respectabel standpunt, waarvoor ook de nodige argumenten zijn te geven. Anders wordt het als verdere discussie nauwelijks meer kan worden gevoerd. Waar de regering zich nog enige ruimte wilde verschaffen om de zaak zo goed mogelijk af te kunnen handelen – er is nu eenmaal een concessie aan de Nederlandse Aardoliemaatschappij in het geding – kwam het standpunt van de Kamer neer op een ongeclausuleerd nee tegen boringen. Ook hier speelden emotionele argumenten de boventoon in plaats van rationele.

Het derde voorbeeld dateert eveneens van deze week. Tot tweemaal toe diende minister Netelenbos van Verkeer en Waterstaat tegenover de Tweede Kamer verantwoording af te leggen over de onderhandelingen die zij voerde met de Nederlandse Spoorwegen over het bod van de laatste om de Hogesnelheidslijn in Nederland te mogen exploiteren. De minister had het bod van de NS als onvoldoende van de hand gewezen en een openbare aanbesteding aangekondigd. Weer liet de Kamer zich meer leiden door opwinding dan door een bezonken oordeel. Want naarmate de Kamer in een `koopt-Hollandse-waar-dan-helpen-wijelkaar-stemming' om meer inschikkelijkheid van de minister vroeg, verzwakte zij tegelijkertijd de onderhandelingspositie van dezelfde minister tegenover de Spoorwegen.

DE POLITIEK is de afgelopen decennia veranderd. Daardoor is ook het karakter van de volksvertegenwoordiging ten goede veranderd. De beklemmende ideologieën leidden tot dogmatiek met als gevolg onbeweeglijkheid. Hiervoor is de meer onafhankelijke en vrije gedachtenwisseling in de plaats gekomen. Maar als het open oog voor wat zich in de samenleving afspeelt betekent dat Kamerleden zich louter als boodschappers van het overheersende publieke sentiment gaan gedragen, is er per saldo weinig gewonnen.

De representatieve democratie houdt in dat Kamerleden met behoud van eigen verantwoordelijkheid voor vier jaar zijn afgevaardigd. In die periode zullen zij telkens een integrale belangenafweging dienen te maken. Soms zal dat leiden tot minder herkenbare verhalen voor de `mensen in het land'. Maar Kamerleden zijn dan ook niet ingehuurd, doch afgevaardigd. Het verschil is even subtiel als wezenlijk.