DOTTER NA HARTAANVAL SPAART LEVENS EN IS NIET DUURDER

Mensen die na een hartaanval direct zijn gedotterd hebben 50% meer kans om de vijf jaar daarna te overleven dan patiënten die zijn behandeld met bloedprop oplossende medicijnen. Dit concluderen artsen uit het Weezenlanden Ziekenhuis in Zwolle (New England Journal of Medicine, 4 nov).

Scheurtjes in een atherosclerotische plaque in een kransvat van het hart zijn vaak de directe aanleiding voor een hartaanval: op de scheurtjes komen bloedplaatjes af. Binnen enkele minuten kan er een opeenhoping van bloedplaatjes ontstaan die het kransvat afsluit. Wanneer de bloedtoevoer naar het afgesloten deel van de hartspier niet snel genoeg herstelt, sterven de hartspiercellen door zuurstof tekort. Bij een te groot verlies aan hartspiercellen geeft het hart het op. De behandeling direct na een hartaanval is er op gericht om de bloedprop te verwijderen. Dit moet snel gebeuren, voordat de spiercellen afsterven.

Er zijn twee soorten behandeling mogelijk: óf met bloedprop oplossende middelen (thrombolytica), óf met een ballonkatheter. De katheter wordt door de bloedprop heen geduwd en vervolgens opgeblazen. De prop wordt zo in de wand van het vat geperst (dotteren of percutaneous transluminal coronary angioplasty (PTCA)). Deze dotteroperaties van verstopte vaten moeten uiterlijk binnen vierentwintig uur na het infarct uitgevoerd zijn. Dit zijn dus spoedbehandelingen, in tegenstelling tot de dotteroperaties van vernauwde bloedvaten, waarvoor patiënten op een wachtlijst geplaatst kunnen worden. Sinds de eerste dotterbehandeling van het hart in 1977 door de Zwitser Andreas Gruentzen uitgevoerd is, discussiëren onderzoekers welke van de twee behandelingen van een hartinfarct betere resultaten levert.

De artsen van het Weezenlanden Ziekenhuis rakelen de discussie op. At random deelden de artsen patiënten in voor behandeling met streptokinase, een thrombolyticum, of voor een spoeddotterbehandeling. In totaal deden 395 patiënten aan het onderzoek mee. Gemiddeld volgden de onderzoekers de patiënten gedurende vijf jaar. Van de gedotterde patiënten overleed 13% in de vijf jaar na de behandeling, tegen 24% van de met thrombolytica behandelde patiënten. In de groep van patiënten die een spoeddotter ondergingen, overleden dus circa 50% minder patiënten. Gedotterde patiënten kregen significant minder herinfarcten en hersenbloedingen. In de jaren na de behandeling gebruikten de gedotterde patiënten minder medicijnen en kwamen ze minder vaak in het ziekenhuis terecht. PTCA is duurder dan een behandeling met streptokinase. Maar omdat met PTCA behandelde patiënten minder medicijnen en zorg nodig hadden, waren de kosten van de twee therapieën over vijf jaar berekend, ongeveer hetzelfde. Dit Zwolse onderzoek is de eerste vergelijking waarin patiënten zolang gevolgd zijn.

Op grond van deze resultaten ligt de keus voor PTCA boven een medicamenteuze therapie voor de hand. Tegenstanders van PTCA wijzen er echter op dat de toegankelijkheid van PTCA moeilijk te waarborgen is. PTCA mag in Nederland alleen in 13 gespecialiseerde centra worden uitgevoerd. En het snel uitvoeren van PTCA bij een hartaanval betekent dat ook in de avonduren en in het weekend een gespecialiseerd team klaar moet staan.

(Nienke van Trommel)

    • Nienke van Trommel