DNA-databank is een goede zaak

Het invoeren van een DNA-databank kan leiden tot een flinke verhoging van het percentage opgehelderde zaken, meent Atzo Nicolaï.

Het gebruik van DNA-materiaal voor opsporing roept hier en daar nog steeds gemengde gevoelens op. In ieder geval bij de strafrechtgeleerden Harchaoui, Van Lent en Van der Meer (NRC Handelsblad, 8 november). Zij vinden de `onrustgevoelens invoelbaar', maar maken vervolgens niet echt duidelijk hoe het feitelijk zit. Integendeel, zij wakkerden onrustgevoelens aan door te stellen dat de kwaliteit van de nieuwe DNA-wetgeving ondergeschikt wordt gemaakt aan politieke scoringsdrift en te suggereren dat de DNA-regeling niet als zelfstandig wetgevingsproject beschouwd wordt, maar als afgeleide van onrustbarende zedenzaken.

In ieder geval wat betreft dat laatste kunnen zij worden gerustgesteld. De DNA-regeling ís een apart wetgevingsproject. De VVD, die de motie over ruimer gebruik van DNA bij de behandeling van de justitiebegroting eind vorige week indiende, betoogde ook bij de eerste schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel een half jaar geleden, dat DNA-profielen net zo moeten worden gebruikt als vingerafdrukken. Bij het indienen van de motie heeft de VVD geen verband gelegd met zedenzaken.

Betoogd is juist dat het ook voor lichtere zaken als inbraak ingezet moet kunnen worden. Uit experimenten in de regio's Brabant en Utrecht blijkt dat – zonder dat beschikt kan worden over een ruim DNA-bestand – het percentage opgehelderde zaken 6 procent omhoog gaat door DNA te gebruiken. Indien wel gebruik gemaakt zou kunnen worden van een DNA-databank, zal dat percentage naar verwachting 15 procent hoger zijn.

Dat is ook wel logisch. Het achterlaten van vingerafdrukken is door het dragen van handschoenen te voorkomen. Voor een DNA-profiel zijn een verloren haar of wat huidschilfers al voldoende. Dat is bijna niet te vermijden. Natuurlijk denkt de politiek niet dat dit `het middel is tegen het kwaad' (Harchaoui c.s.), maar het is wel effectief, ook bij ernstige zedenzaken.

En ook om iemands onschuld aan te tonen, zoals bij de moord op Marianne Vaatstra.

Als Harchaoui cs. betogen dat DNA-gegevens gevoelige gegevens zijn (in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens), waarbij bij uitstek de privacy in het geding is, moet duidelijker onderscheid worden gemaakt tussen het celmateriaal en het DNA-profiel. Dat laatste is wat gebruikt wordt bij opsporing. En dat is een soort grafiekje, een streepjescode die niets zegt over iemand. Net zomin als een vingerafdruk.

Wat betreft de privacybescherming gaat het vooral om het celmateriaal. Dat mag nooit in onbevoegde handen komen of worden gebruikt voor andere doelen dan waarvoor het is verzameld, namelijk opsporing. Dat is te regelen. Juridisch wordt dit gegarandeerd door de zojuist in de Tweede Kamer behandelde Wet bescherming persoonsgegevens. En praktisch is dat te garanderen door de DNA-gegevens op te slaan bij het Gerechtelijk Laboratorium en alleen bevoegden toegang te verlenen.

Van iedereen die is veroordeeld voor een misdrijf waar minimaal vier jaar op staat (dezelfde grens als bij vingerafdrukken) moet een DNA-profiel in een DNA-databank worden opgeslagen. En van iedereen die wordt verdacht van een dergelijk misdrijf moet een DNA-profiel worden gemaakt om met die bank te vergelijken. Als iemand onschuldig blijkt te zijn, wordt zijn profiel verwijderd.

Ook wat betreft de aantasting van lichamelijke integriteit door afname van celmateriaal voor een DNA-profiel hoeven we ons vanwege de voortgeschreden techniek geen zorgen te maken. Inkt aan de vinger voor een vingerafdruk is vervelender dan een wattenstaafje langs de binnenkant van de wang, wat voldoende is om een DNA-profiel te kunnen maken. Wat betreft gebruik van DNA bij opsporing zijn de bezwaren en de risico's klein en de voordelen groot.

Als de DNA-databank zijn bestand heeft gevuld en goed functioneert, is er eindelijk echt een kans op een flinke verhoging van het percentage opgehelderde zaken. Het is een goede zaak dat in de strijd tegen de steeds geraffineerdere criminaliteit nu een geavanceerd, effectief middel kan worden ingezet. Soms is het misschien goed als juridische wetenschappers of anderen politici proberen te behoeden voor de waan van de dag. Zij moeten zich echter wel baseren op juist meer dan de publiciteit en de actualiteit. En kennisnemen van de door die politici genoemde afwegingen en overwegingen, zowel in het debat als in het wetgevingstraject.

Mr.drs. Atzo Nicolaï is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de VVD-fractie.

    • Atzo Nicolaï