Wonen in wonderbollen

In het Zeppelin-museum in Friedrichshaven is te zien hoe oud-marineman Richard Buckminster Fuller zocht naar werkelijk functionalistische vormen en architectuur.

Het werk van de Amerikaan Richard Buckminster Fuller (1895-1983) doet aan van alles denken. Neem bijvoorbeeld zijn Dymaxion badkamer-wc uit 1938. De verschillende onderdelen – wc-pot, wastafel en douche – vormen één vloeiend geheel van gebogen metaal. Het ding loopt niet alleen vooruit op de wc's van hedendaagse vliegtuigen, maar doet ook denken aan de mobil-homes en interieurs van Joep van Lieshout.

De eerste overzichtstentoonstelling over Richard Buckminster Fuller, die nu in het Zeppelinmuseum in het Zuid-Duitse Friedrichshafen is te zien en later doorreist naar andere Europese steden, is goed voor veel Aha-Erlebnisse. Steeds weer doet de voorbeeldige en onderhoudende mengeling van tekeningen, filmpjes, foto's en ruimtelijke objecten denken aan oude of, vaker nog, hedendaagse denkbeelden over vormgeving, architectuur en stedenbouw.

Het is alsof Fuller nog steeds volop meedoet aan het debat over de inrichting van de wereld. Zo lijkt zijn idee uit 1929 om superlichte woningen te bouwen die overal kunnen worden neergezet, regelrecht afkomstig uit het dikke boek FARMAX dat het Nederlandse architectenbureau MVRDV vorig jaar publiceerde. Ook het `Wilde Wonen', dat Carel Weeber een paar jaar geleden in Nederland introduceerde, heeft een voorbode in het werk van Buckminster Fuller. Net als Weeber nu vond Buckminster Fuller dat bewoners veel meer te zeggen moeten krijgen over hun woning. ,,Een kamer moet door de bewoners kunnen worden bespeeld als een piano'', schreef hij al in 1929.

Maar bovenal doet Fullers werk denken aan `less is more', het adagium dat de van oorsprong Duitse architect Ludwig Mies van der Rohe beroemd maakte. `Doing most with the least', luidt de variant van Fuller op Mies van der Rohe's spreuk die het aanzicht van de twintigste-eeuwse architectuur heeft bepaald. Maar hoewel Fullers spreuk langer en dus minder goed zou moeten zijn dan die van Mies van der Rohe, leverde Fuller wel beter werk af.

Mies van de Rohe's naoorlogse dozen van staal en glas worden bewonderd als de onovertroffen toepassingen van het `less is more' in de architectuur. Maar goedbeschouwd hebben de stalen balken die vrijwel alle gevels van zijn naoorlogse gebouwen tooien, geen enkele constructieve noodzaak. Ze zijn alleen maar aangebracht om de suggestie van zakelijke, industriële bouwkunst te versterken, en zijn net zo overbodig als de pilasters van een classicistisch gebouw.

Witte dozen

Fuller was niet tevreden met zulk schijnfunctionalisme. Dit blijkt alleen al uit zijn Dymaxion House uit 1929 – veel van wat hij deed, noemde hij Dymaxion, een samentrekking van de woorden `dynamic', `maximum' en `ion'. Hiermee overtrof hij alle andere architecten die net als hij vonden dat de woning een machine was. Het Dymaxion House was volstrekt nieuw en lijkt ontworpen door iemand die elk beeld van bestaande architectuur uit zijn gedachten had gebannen voor hij de vraag ging beantwoorden hoe hij met nieuwe technieken en nieuwe, lichte materialen een goedkoop maar comfortabel onderkomen kon maken. Het Dymaxion House lijkt dan ook helemaal niet op bijvoorbeeld Le Corbusiers witgepleisterde dozen die moesten doorgaan voor `machines à habiter'. Hooguit doet de zeshoekige constructie die aan een mast is opgehangen denken aan een high-tech-uitvoering van een boomwoning van Papoea's op Nieuw Guinea.

Fuller was dan ook eigenlijk helemaal geen architect. In zijn jonge jaren was hij marine-officier geweest en had hij een paar jaar een bouwbedrijf van cataloguswoningen geleid. Maar nadat dit bedrijf was opgekocht en hij tot zijn verbijstering zijn baan verloor, besloot hij voortaan zijn leven te beschouwen als één groot experiment. Van alles, maar dan ook echt van alles wat hij deed, maakte hij verslagen, die hij bewaarde in zogenaamde `Dymaxion Chronofiles'. Ze vormen een lange reeks dikke, in leer gebonden boeken.

Fuller achtte zich nergens ongeschikt voor. De hele wereld, nee het hele universum was zijn werkterrein. Hij zei eens dat de lucht die zich boven hem bevond zijn persoonlijk bezit was. In 1951 vergeleek hij de aarde met een moederschip, een metafoor die school heeft gemaakt. Voor Fuller strekte het streven om zo veel mogelijk met zo min mogelijk te doen zich uit tot alles, en zeker tot het gebruik van de grondstoffen. Fuller hield zich bezig met statistieken over bevolkingscentra, voedselproductie, snelwegen enzovoort. Verder correspondeerde hij met Einstein over de compositie van de wereld en gedichten en boeken met grootse titels als Untitled Epic Poem of Industrialization en Nine Chains To The Moon. Tussendoor stortte hij zich in het met veel drank overgoten kunstenaarsleven van de New-Yorkse wijk Greenwich Village.

Het maakte Fuller niet uit voor wie hij werkte. Al in de jaren dertig zette hij voor een koperfabriek een onderzoeksafdeling op, en voor de Amerikaanse overheid verrichtte hij in de jaren veertig studies over de oorlogseconomie, die tenslotte ook wordt geregeerd door het beginsel `zo veel mogelijk voor zo min mogelijk'. Later werd het Amerikaanse leger een goede klant van Buckminster Fuller.

Al deze dingen worden aangestipt op de tentoonstelling, maar de meeste aandacht krijgen toch de dingen die hem beroemd maakten. Zoals de Dymaxion Car uit 1933. Niet de sigaarvorm van dit gevaarte op drie wielen was bijzonder – stroomlijning was heel gewoon in de Amerikaanse vormgeving van de jaren dertig. Nee, het was Buckminsters idee om het achterwiel tot stuurwiel te bombarderen, dat de Dymaxion Car uniek maakte. Een boot had ook zijn roer niet voor, dacht de ex-marineman Fuller, dus waarom hebben alle auto's hun stuurwielen wel van voren?

Wat dit tot gevolg had, is goed te zien op een van de filmpjes op de tentoonstelling. Een meterslange zeppelin op wielen nadert een agent en rijdt vervolgens om hem heen met zo'n kleine draaicirkel dat het lijkt of de auto om zijn eigen as kan draaien. Toch werd de Dymaxion Car geen succes. De auto bleek door de drie wielen instabiel en met een van de drie prototypes gebeurde een akelig ongeluk.

Zo ging het met veel van Fullers eerste projecten. Zijn Dymaxion House bleef steken in de modelfase en het soortgelijke Wichita House uit 1946 is nooit verder gekomen dan een prototype. De Koude Oorlog zorgde ervoor dat voor de vliegtuigfabriek in Wichita de noodzaak uitbleef om over te schakelen op de fabricage van ronde metalen huizen.

Wereldkaart

Wel een succes was de Dymaxion Map, Fullers weergave van de wereldbol op het platte vlak. Jarenlang werkte Fuller aan zijn Dymaxion Map, die beter dan de gebruikelijke kaart de werkelijke afmetingen van de continenten weergaf. Het resultaat, bestaande uit zes vierkanten en acht driehoeken, werd in 1943 door het tijdschrift Time gepubliceerd.

De wereldkaart lijkt een van Fullers kleinere ondernemingen, maar krijgt op de tentoonstelling veel ruimte. En terecht, want de kaart blijkt een sleutelwerk in zijn oeuvre. Door het langdurige gepuzzel met driehoeken en vierkanten ging Fuller zich diepgaand bezighouden met geometrische en stereometrische problemen. Maar hij werd nooit een pure wiskundige. Altijd hield hij in het achterhoofd hoe hij de wiskunde kon gebruiken voor constructies die `het meeste deden met het minste'. Wiskunde was een hulpmiddel bij zijn zoektocht naar het ware functionalisme of synergie, zoals Fuller het met een zelfverzonnen en nu algemeen gebruikt woord noemde.

Uiteindelijk leidde Fullers toegepaste wiskunde tot de `geodetische' koepels die hem beroemd maakten. Op de tentoonstelling zijn foto's te zien van de eerste geodetische koepel die Fuller in 1948 maakte met studenten van het Black Mountain College in North Carolina. Het aandoenlijk eenvoudige koepeltje was het begin van het late succes van Fullers functionalisme. Letterlijk overal in de wereld, ook in Nederland, zijn in de jaren vijftig, zestig en zeventig kleine en grote geodetische koepels verrezen. Legers gebruiken ze als opslagplaats, onderzoekers werken en wonen er op de noordpool in en hippies maakten er in de Amerikaanse woestijn veelkleurige woningen van.

Ook Fuller zelf woonde in een geodetische koepel. Volgens hem waren de mogelijkheden onbeperkt: hele steden konden met zijn koepels worden overdekt en zo het stadsleven veel aangenamer maken. In 1950 maakte Fuller een ontwerp voor een koepel met een diameter van ruim 3 kilometer over Manhattan, van de 22ste tot de 62ste straat. Zover is het niet gekomen. Hoogtepunt in de geodetische koepelbouw is het door Fuller ontworpen paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1967 in Montreal, een reusachtige driekwart bol met een hoogte van 61 meter en een diameter van 76 meter.

Op de tentoonstelling in het Zeppelinmuseum dient een behoorlijk grote geodetische koepel van dik karton als videoruimte. Het is de allereenvoudigste vorm van een geodetische koepel. Er zijn ook geodetische structuren te zien die bestaan uit complexe combinaties van achthoeken en vierhoeken. Maar het allermooist (want allerijlst) zijn de zogenaamde tensegrity-constructies die er staan. Eén ervan is een reusachtige bol die bestaat uit staven en dunne kabels. De staven raken elkaar niet en zijn alleen door strak gespannen draden met elkaar verbonden. Zeker van een afstand is het alsof zwevende stokken een wonderbol vormen.

Mythes aan diggelen

Later kreeg Fuller ruzie met zijn student Kenneth Snelson over deze tensegrity-constructies. Volgens Snelson had Fuller zijn idee voor tensegrity gestolen tijdens een zomercursus van het Black Mountain College. Inmiddels is vast komen te staan dat Snelson, van wie overigens een tensegrity-toren in de tuin van museum Kröller-Müller staat, gelijk had. In Your Private Sky, het prachtige boek dat bij de tentoonstelling hoort, gaan nog een paar mythes over Fuller aan diggelen. Zo is Fuller helemaal niet de uitvinder van de geodetische koepels. Al in 1922 gebruikte de Duitse architect Walter Bauersfeld een geodetische constructie voor de koepel van het Zeiss planetarium in Jena. Overigens wist Fuller dit niet.

,,Het is een misverstand dat het belang van Fuller vooral ligt in zijn uitvindingen en ontdekkingen'', schrijven Claude Lichtenstein en Joachim Krausse dan ook in Your Private Sky. ,,Fullers grootste betekenis lag in de combinatie van verschillende disciplines met het oog op een concrete toepassing. Dank zij deze belangstelling bracht Fuller dingen aan het licht die anders verborgen waren gebleven.''

Hoe waar dit is, bleek zelfs na Fullers dood. Vreemd genoeg worden er ondanks hun uiterste functionaliteit nog nauwelijks geodetische koepels gebouwd. Op een of andere manier hebben ze een jaren-zestig-imago gekregen dat ze gedateerd maakt. Toch zijn Fullers constructies op een onverwachte manier actueel gebleven. Eind jaren tachtig ontdekten chemici dat zuivere koolstofmoleculen ook de tot dan toe onvermoede vorm van bolvormige kooien konden aannemen. Fullerenen of buckyballs noemden ze deze koolstofmoleculen, omdat ze sprekend leken op de constructies die Fuller tijdens zijn zoektocht naar het ware functionalisme had ontworpen. De buckyballs leiden tot een ware rage in de chemie. Twee jaar geleden kregen de scheikundigen Kroto, Smalley en Cure de Nobelprijs voor hun ontdekking van buckminsterfullerenen. Uiteindelijk bleek Fullers onovertroffen functionalisme al gewoon in de natuur te bestaan.

Tentoonstelling: Buckminster Fuller. Your Private Sky. T/m 16 januari in het Zeppelin Museum, Seestrass 22, Friedrichshafen, Duitsland. Later zal de tentoonstelling ook te zien zijn in het Design Museum in Londen, Kunsthalle Tirol in Hall en in het Bauhaus in Dessau.

Joachim Krausse en Claude Lichtenstein: Your Private Sky. R. Buckminster Fuller. The Art of Design Science. Uitg. Lars Müller Publishers, 524 blz. Prijs fl 137,50

    • Bernard Hulsman