Vaderlanders verenigd in de nood

Veel Nederlandse historici hebben de grijstinten ontdekt tussen `goed' en `fout' in de oorlog. Anderen proberen, in het moralistische voetspoor van Daniel Goldhagen, het complete land `fout' te verklaren. Een proefschrift over de Nederlandse Unie toont aan dat het zo eenvoudig niet ligt.

Tussen de onderwerpen waarop de Nederlandse preoccupatie met `goed' en `fout' in bezettingstijd zich tot nu toe heeft gericht, neemt de Nederlandse Unie een prominente plaats in. Daar zal een jongere generatie, die van die Unie wellicht zelfs nog nooit heeft gehoord, van opkijken, want het debat erover is al sinds het midden van de jaren zeventig bevroren. Het lijkt op het eerste gezicht ook wel veel eer voor een organisatie die nog geen anderhalf jaar heeft bestaan, van juli 1940 tot december 1941, waarvan de laatste maanden in vleugellamme toestand. Daar staat tegenover dat in Nederland geen politieke beweging qua omvang en draagvlak zo'n succes heeft gekend als de Nederlandse Unie. De cijfers spreken voor zichzelf: bijna een miljoen sympathisanten, ongeveer 600.000 leden en een weekblad waarvan de oplage, op het hoogtepunt 314.000 exemplaren, veel hoger was dan die van alle hedendaagse opinieweekbladen bij elkaar.

De Unie werd opgericht om `in loyale verhouding tot de bezettende overheid' het `behoud en de versterking van vaderland en volksgemeenschap' na te streven, aldus het programma, net als het `beschermen en ontwikkelen van eigen beschaving'. Over staatkundige vernieuwing bleef men vaag, behalve dat het doel was `versterking van het centraal gezag'. Uiteraard was voor het propageren van deze doelstellingen Duitse toestemming nodig. Het onvermijdelijke spel van geven en nemen dat daarvoor nodig was, leent zich bij uitstek voor uiteenlopende beoordelingen. Al tijdens de oorlog werd de Unie er in de illegale pers van beticht zich te meegaand en tegemoetkomend jegens de bezetter te hebben opgesteld.

Tegen het einde van de jaren zestig kwam de Unie definitief in een kwade reuk te staan toen het publieke debat over collaboratie versus verzet in een stroomversnelling raakte. Aanjagers van dat debat waren twee boeken waarvan de eerste delen in 1969 verschenen: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van de historicus dr. Loe de Jong en de memoires van Friedrich Weinreb, Collaboratie en verzet. Inmiddels was Vrij Nederland-redacteur Jan Rogier een langlopende serie begonnen over een van de leiders van de Unie, de bekende KVP-politicus en bestuurder prof.dr. J.E. de Quay. Rogier schetste De Quay als een sinistere manipulator, die door middel van de Unie de Duitse belangen, in het bijzonder die van het grootkapitaal, had willen dienen. Het effect van `Een zondagskind in de politiek', zoals de serie heette, was niet gering. De serie maakte een goed gedocumenteerde indruk en liep bovendien heel lang, van 1968 tot ver in 1971. Een dergelijk langdurig bombardement van feiten en, toch vooral, meningen moest wel sporen nalaten.

Voor zover er hierdoor niet al een ongunstig beeld van de Unie en haar leiders was gegroeid, werd dat bevestigd en aangevuld door wat De Jong schreef in de delen 4 en 5 van Het Koninkrijk. Hij maakte een onderscheid tussen de gewone leden en het leidend driemanschap, dat naast De Quay, psycholoog aan de Katholieke Economische Hogeschool in Tilburg, bestond uit de Groningse commissaris van de koningin, mr. J. Linthorst Homan, en de Rotterdamse hoofdcommissaris van politie, mr. L. Einthoven. Volgens De Jong had het driemanschap de beweging willen gebruiken als grondslag `voor Nederlandse aanpassing aan het Derde Rijk'. Deze opzet was verijdeld door de achterban, die `de Unie van meet af aan als een welkome gelegenheid beschouwde om tegen Hitler, Seyss-Inquart en Mussert te demonstreren'.

egen deze conclusies van De Jong werd heftig geprotesteerd door het toen nog levende driemanschap, maar ook door andere voormalige activisten van de Unie. Enkele historici, onder wie De Jongs latere opvolger J.C.H. Blom en de Brit M.L. Smith, plaatsten kritische kanttekeningen, waarvan de essentie was dat De Jong de Unie en haar leiders te nadrukkelijk vanuit het goed-fout-perspectief benaderde. Er was behoefte aan een historisch-verklarende studie, schreef Blom in 1976. `Het wachten is op de historicus die het zal aanvatten.' Dat wachten moest nog bijna een kwart eeuw duren, maar nu is die studie er dan, van de hand van, vermoedelijk niet toevallig, een promovendus van Blom.

Historicus Wichert ten Have beschaamt de inmiddels torenhoge verwachtingen niet, al is dit gunstige oordeel meer gebaseerd op de inhoud dan op de vorm van zijn proefschrift. Ten Have kan heldere, goedlopende zinnen maken, maar dat andere onderdeel van de schrijfvaardigheid, de kunst van het weglaten, beheerst hij minder goed. Als hij het had aangedurfd vergadernotulen, toch al niet de smakelijkste delen van een boek, beknopter te parafraseren, en als hij niet elke verwijzing naar de Unie in een of ander blaadje had gememoreerd, dan was niet alleen de tekst aanzienlijk leesbaarder geworden, maar ook de indeling van het boek meer in balans gebracht.

Ten Have heeft duidelijk geworsteld met de opgave de kritiek die op de aanpak van De Jong is uitgeoefend, niet ook over zich heen te krijgen. Zo was destijds een belangrijk verwijt dat de auteur van Het Koninkrijk te weinig aandacht besteedde aan de vooroorlogse denkstromingen die aan de wieg stonden van de ontzuilde massabeweging die de Unie werd. En dus krijgt nu de lezer van Ten Have elke zucht te horen die in de jaren dertig door een voorstander van ontzuiling is geslaakt. De kern daarvan is inderdaad van groot belang om de Unie te kunnen begrijpen in haar tijd. Ten Have toont aan dat het vooroorlogse verlangen naar eenheid, naar het doorbreken van de `schotjesgeest', zoals de verzuiling toen heette, onlosmakelijk verbonden was met kritiek op de parlementaire democratie. Democratie is immers geïnstitutionaliseerde verdeeldheid, en aan deze verdeeldheid werd het onvermogen toegeschreven een oplossing te vinden voor de ellende van de crisisjaren.

et feit dat uit brochures en oproepen van de Unie een voorkeur voor een autoritaire staatsvorm blijkt, mag dan ook niet worden geïnterpreteerd als een toenadering tot het nationaal-socialisme. Ze was de voortzetting van een veel bredere kritiek op de democratie. Kritiek die meestal in één moeite door het kapitalisme en het liberalisme op de korrel nam, en echt niet alleen werd uitgeoefend door communisten en sociaal-democraten. Uit ons collectieve geheugen is het besef verdwenen hoe traumatiserend de depressie van de jaren dertig is geweest en hoe koortsachtig in die jaren is gezocht naar een politieke remedie. Bovendien heeft het driemanschap meermalen in toespraken een duidelijke grens getrokken tussen zijn ideaal, waarin de wil van het volk moest doorklinken naar boven, en de dictatoriale opvattingen van de nazi's. Ten slotte heeft de Unie de door haar bepleite herinrichting van het bestel altijd nadrukkelijk een zaak voor ná de oorlog genoemd.

Na alle aandacht voor het opgewonden moralisme van een historica als Nanda van der Zee in haar boek Om erger te voorkomen is de kalme, historiserende benadering van Ten Have een verademing. Hij is schaars met oordelen, en laat zo veel mogelijk de feiten voor zichzelf spreken. Dat heeft als nadeel dat zijn proza een beetje vlak is, maar omdat hij er belangrijke inzichten voor teruggeeft, is hem dat graag vergeven.

Centraal in het proefschrift staat de wisselwerking tussen de leiding en de reusachtige achterban. Er was een groot hoofdkantoor in Den Haag dat leiding gaf aan tientallen gewestelijke kantoren, waaronder weer de honderden plaatselijke afdelingen en Uniewinkels ressorteerden. Een leger van betaalde krachten en vrijwilligers was daar vanaf de zomer van 1940 dagelijks in de weer met het bijhouden van de administratie, het innen van de contributie, de verkoop van speldjes, fietsvlaggetjes en raambiljetten en met de straatverkoop van het weekblad De Unie. De vraag is waar deze gedrevenheid, die in haar massaliteit iets on-Nederlands heeft, vandaan kwam.

Onmiskenbaar was de ideologie van de beweging, ondanks haar vaagheid, een trekpleister voor veel aanhangers van het vooroorlogse vernieuwingsdenken. Heel wat namen die vallen in de passages over de jaren dertig, zien we terug als kaderleden van de Unie. Voor de gewone leden lag het anders. Ten Have bevestigt in essentie het door De Jong geschetste beeld van een samenballing van gekwetste Nederlanders, die geschokt zijn door de nederlaag van 15 mei 1940, zich in de steek gelaten voelen door koningin en regering, en die hun afkeer willen tonen van de bezetter en van de NSB. Alleen zijn de implicaties van dit beeld sinds de delen 4 en 5 van De Jong markanter geworden.

ooral de laatste jaren bestaat in binnen- en buitenland de neiging complete volkeren schuldig te verklaren aan de nazi-gruwelen. Het succes van Hitler's Willing Executioners van de Amerikaanse historicus Jonathan Goldhagen is daarvan een belangrijk voorbeeld. Ook in Nederland heeft langzamerhand de communis opinio postgevat dat de jodenvervolging hier alleen maar zulke vreselijke resultaten kon opleveren omdat het de overgrote meerderheid van de bevolking niets kon schelen. De niet-joodse Nederlander als een lamlendige opportunist, slechts bekommerd om het eigen hachje, misschien geen jodenhater, maar tenminste behept met dédain jegens het Oude Volk: dat is ongeveer het nu gangbare portret van Nederlanders in bezettingstijd.

De massale toeloop op de Nederlandse Unie is een bewijs dat de werkelijkheid anders was. Wie meent dat het moediger zou zijn geweest als de Unieleden een SS'er waren gaan onthalzen of een spoorlijn opblazen in plaats van fietsvlaggetjes te verkopen, heeft gelijk, maar miskent het voorstellingsvermogen van een normaal mens in de zomer van 1940 omtrent de bedoelingen van de bezetter. Maar al begin 1941 werd een aantal kaderleden van de Unie door de Duitsers gearresteerd op verdenking van illegaal werk. Kort daarna kreeg de Sicherheitspolizei de aanwijzing eerst aan Uniekader te denken als er mensen in gijzeling moesten worden genomen. Vast staat ook dat veel voormalige Unieleden aan het verzet zijn gaan deelnemen nadat de beweging in december van dat jaar was verboden. Het was trouwens toch al niet ongevaarlijk zich actief voor de Unie in te zetten. Ten Have maakt melding van een groot aantal incidenten tussen Unie-activisten en de Weer Afdeling (WA) van de NSB. Colporteurs met De Unie werden aangevallen, bijeenkomsten werden verstoord, kantoren en winkels van de Unie kregen het zwaar te verduren.

Tot de `Nederlandse normen en waarden' die de Unie voorstond, rekenden de gewone Unieleden ondubbelzinnig het recht van de joden op een gelijkwaardige plaats in de samenleving. Meermalen heeft de Unieleiding daarvan getuigd, en het was een opstelling die de warme instemming van de achterban oogstte. De Jong meende nog dat de Unie in 1941 de joodse leden had geroyeerd of hen dringend had aangeraden te bedanken. Daarvan is volgens Ten Have geen sprake geweest, tot grote ergernis van Generalkommissar zur besonderen Verwendung P.J. Schmidt, die fungeerde als liaison tussen het Uniebestuur en de Duitse autoriteiten. Gedurende vrijwel het hele bestaan van de Unie konden joden volwaardig lid zijn, terwijl ze vooral sinds het najaar van 1940 in toenemende mate van het maatschappelijk leven werden uitgesloten. Op 30 oktober 1941 vaardigde Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart voor joden een algemeen verbod uit op het lidmaatschap van organisaties waarvan ook niet-joden lid waren.

Toen bekend werd dat de leiding van de Unie in het voorjaar van 1941 al overwoog joodse leden voor hun eigen veiligheid uit te sluiten van een nieuw type kaderfunctie, die van `Werkend Lid', regende het op het hoofdkantoor protesten van gewone leden. Daardoor zagen Linthorst Homan en De Quay – Einthoven was uitgeschakeld door depressiviteit – zich genoopt tot zoveel tijdrovend geschipper dat de kwestie als een nachtkaars uitging.

In juni 1941 viel de Wehrmacht Rusland binnen, en dat betekende een ernstige escalatie van de oorlog. Van de Unie werd een standpunt verwacht. Duidelijk was dat de beweging haar voortbestaan kon vergeten als ze zich niet achter Duitsland schaarde. Na een eerdere weigering een loyaliteitsverklaring af te geven, was de organisatie in maart en april 1941 al getroffen door sancties van de bezetter. Hoewel het driemanschap bepaald niet kon worden verdacht van communistische sympathieën, publiceerde het op de voorpagina van De Unie onder de kop `Waar wij staan' (de titel van een radiorede van Winston Churchill) – een mager verhulde afwijzing van solidariteit met nazi-Duitsland. Even later werd het weekblad voor zes weken verboden. Van herverschijnen kwam niets meer, want inmiddels was de Unie door zoveel beperkingen getroffen dat opheffing een kwestie van tijd was. Het zou slechts enkele maanden worden.

Voor de nazi's was het algehele verbod van de Unie een logisch gevolg van haar ontwikkeling tot een soort legale verzetsorganisatie. Vanuit Duitse optiek bezien, was het daarom even vanzelfsprekend het driemanschap in gijzeling te nemen; de drie stonden tevens enige tijd op de nominatie als eerste gijzelaars te worden doodgeschoten. Des te opmerkelijker is dan ook dat De Quay, Einthoven en Linthorst Homan tot aan hun dood hebben moeten vechten tegen de beschuldiging fout te zijn geweest. Ten Have wijst erop, dat geleidelijk in de oorlog gegroeide begrippen als `goed' en `fout' na de oorlog op de bezetting als geheel zijn geprojecteerd. Ook op een tijd dus waarin het in menig opzicht nog niet duidelijk was hoe `goed zijn' zich behoorde te manifesteren.

aarin heeft hij gelijk, maar hij had die stelling gerust kunnen aanscherpen. Na de oorlog, en al helemaal heden ten dage, concentreert het onderscheid tussen `fout' en `goed' zich in de praktijk op het koortsachtig zoeken naar hen die fout waren. Zo hebben `bedenkelijke' artikelen in De Unie, stukken waarvan taalgebruik en inhoud verwantschap met het nazisme suggereerden, veel meer tot het imago van de Unie en haar leiders bijgedragen dan de ongehoord moedige stukken die er óók in stonden. Het feit dat de Unie-leiding in het eerste oorlogsjaar regelmatig contact had met Generalkommissar Schmidt over de aan de Unie toebemeten speelruimte, weegt zwaarder dan het feit dat het drietal zijn inzet voor de Nederlandse zaak bijna met de dood heeft moeten bekopen. Want dat Linthorst Homan, Einthoven en De Quay `goede' Nederlanders waren, is een conclusie die zich onweerstaanbaar uit dit proefschrift opdringt, ongeacht de fouten die ook zij hebben gemaakt.

Het enige expliciete oordeel dat Ten Have zelf velt, is de weerlegging van De Jongs these dat de drie leiders andere, minder vaderlandslievende bedoelingen hadden dan hun achterban. Het ging de leiders net zo min als de gewone leden om een pijnloze inbedding van Nederland in het Derde Rijk, maar om het behoud van een niet door het nazisme ontwrichte beschaving. Toen hun strijd hen naar het fatale dilemma voerde, maakten ze de enige keus die `goed' was. Het is achteraf gemakkelijk te beweren dat ze de handdoek eerder in de ring hadden moeten gooien, maar zoals Ten Have onderstreept had de organisatie van de Unie een eigen dynamiek gekregen. Het driemanschap besefte dat zijn eventuele afhaken door de gewone leden zou zijn opgevat als `in de steek laten'. Voor de achterban was het steunen van de Unie een uiting van zelfrespect; hun dat afnemen, zou demoraliserend hebben gewerkt.

at de negatieve beeldvorming ongetwijfeld heeft versterkt, is dat het drietal bij elkaar bleef, daarmee schijnbaar de Deutschfreundlichkeit van een van hen, Linthorst Homan, legitimerend. Die zei eind 1940 te hopen dat Duitsland de oorlog `met 3-2' zou winnen. Buiten De Quay en Einthoven om zocht hij contact met de NSB, en gaf hij de officieuze hoofdredacteur van De Unie, Geert Ruygers, de opdracht artikelen te schrijven die bij de Duitsers goed zouden vallen. Van de hevige ruzies die daarover binnen het driemanschap en het tweede echelon woedden, bleef de buitenwacht onkundig.

Na de oorlog heeft Linthorst Homan zich zo vaak publiekelijk voor zijn misstappen in het stof gewenteld dat het bijna pijnlijk werd. Het heeft hem noch zijn twee maten ook maar iets opgeleverd, geen begrip en geen vergeving. Dat hij mét Einthoven en De Quay in De Unie voor de joodse bevolking opkwam toen vrijwel alle andere Nederlandse politici allang hun mond hielden, heeft geen milligram gewicht in de schaal gelegd in zijn voordeel. Maar hoe pro-Duits was Linthorst Homan nu werkelijk?

Ten eerste valt dan op dat Linthorst Homan meer een pragmatische doener dan een denker was. Net als zo veel anderen achtte hij het in 1940 waarschijnlijk dat het Derde Rijk in Europa nog jarenlang zou heersen. Later was hij bang voor een tweede `Versailles': een voor de Duitsers dusdanig vernederend vredesverdrag dat het de kiem voor een nieuwe aanvalsoorlog zou leggen. Daarop sloeg zijn ongelukkige `3-2'-opmerking, en was hij verbaasd dat zijn toehoorders die heel anders interpreteerden dan hij had bedoeld.

Hoe groot is het belang van de Unie nu feitelijk geweest? Behalve het gevoel van eigenwaarde dat de beweging een groot aantal Nederlanders heeft verschaft, noemt Ten Have terecht het desillusionerend effect van haar massaliteit en haar enthousiasme op de Duitse autoriteiten. Vergeleken met de Nederlandse Unie bleef de ware bondgenoot van de bezetter, de NSB, een meelijwekkende dwerg. De Unie ontnam de nazi's de hoop dat Nederland zichzelf wel zou nazificeren, en dat heeft er mede toe geleid dat de NSB nooit de machtspositie heeft gekregen die ze van de Duitsers verwachtte.

Die conclusie is uiteraard strijdig met de momenteel populaire visie op de Nederlanders als een laf, apathisch volk, dat de bezetting gelaten onderging. Dat wil niet zeggen dat zij ineens allemaal helden zijn geworden, maar De Nederlandse Unie levert wel een belangrijke bijdrage tot het nuanceren van onze kijk op Nederland in oorlogstijd.

Wichert ten Have: De Nederlandse Unie. Aanpassing, vernieuwing en confrontatie in bezettingstijd 1940-1941. Prometheus, 604 blz. ƒ59,90

    • Gerard Mulder