Tomeloze energie en zwier in Mahler onder Haenchen

Het Nederlands Philharmonisch Orkest is onder leiding van chef-dirigent Hartmut Haenchen begonnen aan een Mahlerproject, waarbij in drie jaar zijn gehele oeuvre klinkt, omlijst door muziek van tijdgenoten. `Mahler – Wenen – Amsterdam' biedt verder in de Beurs van Berlage een serie kamermuziek. Ook Nederlandse componisten van rond de eeuwwisseling zijn in beide series vertegenwoordigd: onder anderen Wagenaar, Diepenbrock, Röntgen en Van Anrooy. Alle Mahlermuziek wordt ook op cd gezet.

Hartmut Haenchen, die de afgelopen jaren bij eerdere Mahler-uitvoeringen in de programmaboekjes brieven aan Mahler schreef, heeft zich nu nog meer met hem vereenzelvigd. Bij elk van de veertien concertprogramma's publiceert hij een een fraai uitgegeven Duits/Nederlands boekje met fictieve brieven van Mahler `aan een vriend', gebaseerd op Mahlers biografie en historische documentatie. Die vriend lijkt Haenchen wel zelf, maar waarom zou Mahler hem dan vanuit Amsterdam schrijven over de toekomstige functie als `palazzo pubblico' van de Beurs van Berlage? Haenchen wist al lang dat het Nederlands Philharmonisch orkest daar nu twee concertzalen heeft.

Mahlers Eerste symfonie wordt nu voorafgegaan door twee Nederlandse orkestmuzieken. Johan Wagenaar schreef Saul en David (1906) in de stijl van Richard Strauss' symfonische gedichten, zij het korter en minder geraffineerd. Al wordt David uitgerust met twee harpen, zij kunnen het stuk niet beheersen. In Diepenbrocks orkestversie (1904-'17) van zijn Hymne voor viool en piano uit 1898 beluistert men nog steeds het kamermuzikale karakter: een salon met een vleugel en palmen. Violiste Liza Ferschtman speelt de bijna `unendliche' melodie fraai en zonder sentimentele wuftheid.

Wat Haenchen nu precies heeft met Mahler is in zijn tegendraadse uitvoeringen niet altijd helemaal duidelijk. Maar uit de karaktervolle uitvoering van de Eerste symfonie blijkt niet alleen opnieuw eigenzinnigheid maar ook een hoogst persoonlijk commentaar op de Mahlertraditie. Haenchen lijkt zich hier te keren tegen alle kosmische diepzinnigheid, de natuurevocaties en pantheïstische mystiek die men erin ontdekt. Haenchen begint de Eerste niet op het moment dat de eerste zonnestralen 's morgens in een bergdal vallen, maar al ver voordien, in de nachtelijke donkerte. Mahlers `Naturlaut' met vogelgekwetter verkeert in sfeerloze duisternis. Maar uiteindelijk, als dan de zon de donkerte doorbreekt, is hij er ook in volle verblindende glorie.

Ook de rest schildert Haenchen met felle contrasten, altijd a tempo, steeds liever versnellend dan vertragend. Tomeloze energie, drive en zwier wisselen elkaar in steeds grotere vaart af, tot de finale met die alsmaar herhaalde orkesttutti. Waar de Eerste bij andere dirigenten niet aan zijn eind kan komen, roetsjt Haenchen er tumultueus doorheen. Over, voorbij, uit.

Concert: Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Gehoord: 17/11 Vredenburg Utrecht, Herhalingen: 20, 21/11 Concertgebouw Amsterdam.

    • Kasper Jansen