Terugtocht uit de ware samenleving

Het was een wetenschappelijke gebeurtenis toen John Rawls, op dat moment vijftig jaar oud en sinds 1962 hoogleraar filosofie aan Harvard, in 1971 zijn Theory of Justice publiceerde. Voor Harvard University Press werd het het best verkochte boek uit de geschiedenis van de uitgeverij, en een groot deel van de rechtsfilosofische en politiek-theoretische discussie wordt sindsdien gevormd door analyses van en discussies met het werk van Rawls. Dat was niet het gevolg van een meeslepende schrijfstijl of een mediageniek optreden van de auteur. Beide zijn hem vreemd, en zijn habitus bleef die van de teruggetrokken geleerde die interviews weigert.

A Theory of Justice getuigt van een uitzonderlijke denkkracht. Ondanks Rawls' ascese waar het gaat om actuele politiek, raakte zijn boek in de jaren zeventig en tachtig bij politiek geïnteresseerden een gevoelige snaar. De moraliteit van een politiek systeem (en dus van de wetgeving die dit voortbrengt) hangt volgens hem af van een fundamenteel akkoord tussen de burgers. Dat akkoord is geen historische gebeurtenis en dus ook niet af te lezen aan een constitutioneel document, maar betreft de principes die inhoud geven aan rechtvaardigheid als fairness.

Onwetend van hun werkelijke plaats in de samenleving, stellen mensen in dit hypothetische akkoord vast op basis van welke principes het maatschappelijke leven zal worden ingericht. Zij zullen er dan volgens Rawls toe besluiten aan iedereen persoonlijke vrijheid te verzekeren, en materiële ongelijkheid slechts te accepteren voor zover die indirect ook ten goede komt aan de minst begunstigden.

Rawls' theorie bracht een boodschap die velen zeer welkom moet zijn geweest: ze redde het ideaal van persoonlijke vrijheid uit de klauwen van een staat die de welvaart herverdeelt, maar stelde omgekeerd ook het ideaal van gelijke kansen veilig in de context van een vrije markt. Dit kunststuk kon Rawls filosofisch volbrengen door uit te gaan van de fundamentele redelijkheid van mensen wanneer zij achter een `sluier van onwetendheid' onderhandelen over de maatgevende politieke beginselen.

Critici van Rawls hebben de vraag gesteld waarom mensen er in die oerpositie niet juist op zouden speculeren dat zij er in het werkelijke leven persoonlijk wel goed vanaf zullen komen, en dus geen rekening hoeven houden met anderen. Deze wellicht realistische, maar ook cynische kritiek contrasteert scherp met de integriteit die uit Rawls' levenshouding spreekt. De onverdiende achterstelling van leeftijdgenoten die zijn pad kruisten, het lot van zijn jonggestorven broertjes, en de offers die velen van zijn wapenbroeders in de Tweede Wereldoorlog moesten brengen, hebben John Rawls kennelijk diep geraakt. Voor hem leidden deze ervaringen tot de vraag onder welke voorwaarden het gerechtvaardigd kan zijn dat iemand zoals hijzelf, zoveel beter af is.

Integriteit

Een boek als A Theory of Justice heeft natuurlijk een geschiedenis. Dit jaar verschenen in een welverzorgde gebonden uitgave van 656 bladzijden de artikelen en referaten die als voorstudies aan Rawls' grote werk zijn voorafgegaan, alsook vrijwel alle belangrijke stukken van zijn hand die daarop bij wijze van toelichting, zelfkritiek en verdere ontwikkeling zijn gevolgd. John Rawls' Collected Papers bestrijken dus zijn gehele intellectuele ontwikkeling van 1951 tot heden en geven daarmee ook een voorproef van boeken die de auteur thans in voorbereiding heeft.

Slechts enkele malen heeft Rawls de politieke onthouding doorbroken die hij zichzelf heeft opgelegd: inzake de oorlog in Vietnam, gelijkheid voor de dienstplicht, en het nu actuele onderwerp van de financiering van verkiezingscampagnes. In deze gevallen zag hij reden zijn stem te verheffen tegen een tekort aan politieke integriteit. Gaandeweg is Rawls zich ook scherper rekenschap gaan geven van het politieke systeem waarin de door hem begeerde synthese van vrijheid en gelijkheid gestalte kan krijgen. Het streven naar een reflective equilibrium kan immers alleen floreren onder de voorwaarde van eerlijk verdeelde uitgangsposities.

Na een reeks artikelen die vooral een precisering en toelichting van A Theory of Justice inhielden, komen vanaf 1985 belangrijke nieuwe inzichten naar voren. Te beginnen met het in 1985 gepubliceerde artikel Justice as Fairness: Political not Metaphysical (dat al vanaf 1983 in concept had gecirculeerd) tracht Rawls de relatie tussen zijn theorie en de ideële verscheidenheid van opvattingen tot klaarheid te brengen. De titel van dit artikel geeft al aan welke weg Rawls daarbij inslaat: zijn theorie van rechtvaardigheid als fairness is een politiek begrip dat de instituties van de moderne constitutionele democratie betreft. Zo'n politiek begrip draagt weliswaar ook een moreel karakter, maar is daarmee nog geen product van een alomvattende levensbeschouwing of moraal. Zou dat wel het geval zijn, dan zou dat in een moderne en pluriforme democratie tot grote problemen leiden. Om zijn neutraliteit te bewaren, mag de staat volgens Rawls, in een paper van 1988, geen enkele richting uitverkiezen - ook het liberalisme niet. Een liberalisme dat op zo'n voetstuk geplaatst wordt, zou verworden tot een `sectarische doctrine'.

Een reeks nu opnieuw gepubliceerde papers heeft ook bijgedragen tot Rawls' in 1993 verschenen boek Political Liberalism. Rawls gaat ervan uit dat de liberale overtuigingen van individualiteit en autonomie veel zullen kunnen bijdragen aan de aanvaarding van een politieke moraal gebaseerd op fairness.Dat betekent voor Rawls echter beslist niet dat de constitutionele grondslagen van de democratie door het liberalisme worden gedefinieerd als een `alomvattende morele doctrine'. Rawls houdt zich daarmee ver van de liberale hoogmoed waartoe anderen door de val van het communisme wel zijn verleid. Er is in deze overkoepelende consensus óók plaats voor burgers die andere filosofische, religieuze of morele doctrines zijn toegedaan, zonder dat Rawls hen ook maar een moment diskwalificeert als niet-verlichte tweederangsburgers. In een latere publicatie (The Law of Peoples, 1993) wil Rawls in het kader van de internationale volkengemeenschap zelfs aanvaarden dat er niet-liberale maar desalniettemin well-ordered hiërarchische samenlevingen bestaan. Deze samenlevingen aanvaarden helaas niet de in Theorie of Justice ontwikkelde beginselen van materiële gelijkheid, maar ze gelden voor Rawls toch als `goed geordend' als bescherming van grondrechten en formele gelijkheid er een plaats hebben gekregen. Daarmee wordt het mogelijk bescherming van de rechten van de mens universeel op te eisen.

Bescheiden

Rawls is dus een bescheiden liberaal. Het liberalisme van zijn politieke theorie wil de pluraliteit van alomvattende ideeënstelsels niet in de weg zitten. Maar verzekert het daarmee ook dat mensen die uiteenlopende levensovertuigingen zijn toegedaan, dit politieke systeem wérkelijk als - ook - het hunne zullen kunnen zien? Als moraal van de constitutionele democratie moet Rawls' theorie het hebben van een afstandelijke `overlappende consensus' die het onderscheidende karakter van ideële stromingen als het ware in het midden laat.

Deze overkoepelende consensus wordt een sleutelbegrip in Rawls' politieke theorie. In 1989 erkent hij dat hij zich met deze poging tot een neutrale benadering verwijdert van A Theory of Justice. Dit komt neer op een paradoxale nuancering: de afstand ten opzichte van het liberalisme als ideologische, inhoudelijke grondslag voor de samenleving is nodig om een politiek systeem mogelijk te maken dat beantwoordt aan het constitutionele, politieke liberalisme. Een overkoepelende consensus betekent immers dat ook belangrijke andere `religieuze, wijsgerige en morele doctrines' die in een samenleving thuis zijn, kunnen instemmen met de liberaal-politieke conceptie van rechtvaardigheid die de voornaamste instituties reguleert.

Zo komt een wezenlijk kenmerk van Rawls' denken steeds scherper naar voren: wat hij heeft ontwikkeld is geen substantiële theorie van rechtvaardigheid, maar een theoretische legitimatie van instituties en procedures. Rawls zet in zijn theorie de ideeën en ideologieën in wezen tussen haakjes. Ze doen er niet toe, zolang ze de overkoepelende consensus niet verstoren. Deze ideologische evacuatie van de politieke theorie lijkt het perfecte kader voor een pluriforme samenleving op te leveren: het is voldoende als in een samenleving overeenstemming bestaat over procedures en formele criteria.

Zo is het begin van Rawls' wetenschappelijke zoektocht reeds in 1951 door hem verwoord en nu te herlezen op de eerste bladzijde van de bundel: de vraag naar `een redelijke besluitvormingsprocedure'. Maar is het werkelijk de hoogste graad van politieke verdraagzaamheid als de morele motieven buiten de politieke orde worden verklaard? Iris Marion Young heeft Rawls' theorie gekenschetst als `een terugtocht uit het sociale'.

Dat lijkt mij een terechte observatie. Het is het meest wezenlijke probleem bij Rawls' poging om - vooral vanaf 1985 - recht te doen aan het pluralisme van de moderne samenleving. Omwille van de idealen die mensen met elkaar delen, zullen de politieke instituties toch aansluiting moeten vinden bij (de verscheidenheid van) culturen, overtuigingen en dus gemeenschappen in hun samenleving. Formele democratiebegrippen tellen zulke gemeenschappen niet mee. Maar zou iemand serieus kunnen menen dat de problemen van Kosovo zouden zijn opgelost als in heel Servië individuele vrijheden werden gerespecteerd en een zuiver `one man, one vote' werd toegepast?

De vrees dat culturele en religieuze gemeenschappen elkaar het land uitjagen (of erger) is in deze eeuw gevoed door een reeks ongekende drama's. Dit lost men echter niet op door de sociale realiteit te negeren dat mensen zich vanuit zulke verbanden vormen, en erin leven en werken. Het wegredeneren daarvan uit de politieke en institutionele opbouw van een samenleving, zou andermaal neerkomen op een daad van onverdraagzaamheid.

Samuel Freeman, ed.: John Rawls: Collected Papers. Harvard University Press, 656 blz. ƒ96,05

    • Ernst H.M. Hirsch Ballin