Riskante ledigheid

In de tijd dat Clinton gouverneur was van Arkansas werd Hans Maarten van den Brink, toen correspondent van NRC Handelsblad in de Verenigde Staten, uitgenodigd voor een feestje aan huis bij Bill en Hillary. Jaren later schreef Van den Brink een krantenstukje over dit bezoek, waarin hij memoreerde dat de man die inmiddels president was hem in een slaapkamer, zittend op de rand van het bed, vakantiekiekjes uit de jaren zestig had laten zien waarop hij met een vriendin bij het monument op de Dam in Amsterdam zat. Ik kan me voorstellen dat Van den Brink na deze kennismaking de carrière van Clinton nog beter heeft gevolgd dan de meeste andere mensen en ook zijn fantasie heeft losgelaten op de Lewinski-affaire.

De hoofdpersoon in Van den Brinks nieuwste roman is gefascineerd door Clinton. Net als de Amerikaanse president is hij gevormd door de jaren zestig en de popmuziek uit die tijd. Ze zijn generatiegenoten en bevinden zich beiden op het hoogtepunt van een succesvolle carrière die verwoest dreigt te worden door een fatale vrouw. Clinton woont, figuurlijk, in een glazen huis en Erik Loeff, zo heet de projectontwikkelaar over wie Van den Brink schrijft, wil een glazen gebouw laten neerzetten als hart van de nieuwe stad die het vastgoedbedrijf waar hij werkt gaat bouwen.

Dit transparante woon-, werk-, amusements-, en winkelparadijs, People Plaza genaamd, is de droom die Loeff wil realiseren. Het is zijn enige ideaal. Voor de rest is hij tevreden met zijn ex-echtgenote, twee volwassen kinderen, een comfortabele etage aan de mooiste gracht van Amsterdam, een jukebox vol lievelingsmuziek en de vrijheid van zijn creditcard. Op een `feestje van de zaak' wordt hij om onduidelijke redenen voorgesteld aan Julia, een naam die qua klank en lettergrepen op Monica lijkt. Zij trekt hem op de dansvloer, verleidt hem en binnen een uur bedrijven ze de liefde in haar auto, op een manier die doet vermoeden dat ze de auto vaker voor dit doel gebruikt.

In de file van en en naar zijn werk hoeft Loeff de autoradio maar aan te zetten om de Lewinski-affaire te volgen en te fantaseren over Bill. Hij begrijpt Clinton en ergert zich aan de gespeelde verbazing van commentaarschrijvers die beweren hem niet te begrijpen. Loeff denkt dat de president het noodlot liever niet zou tarten, omdat hij net zo bang is om te vallen als ieder ander en ook is hij niet dronken van macht. Hij meent dat Clinton zich verveelt: `er is alleen maar meer van alles en de president weet dat het niet en nooit genoeg is. Hij is doodsbang dat hij iets onherhaalbaars, nee, iets door-en-door herhaalbaars mist als de domme, dikke stagiaire hem niet ook nog heeft gepijpt.'

Met deze overpeinzing heeft Loeff tegelijk zijn eigen situatie en zijn fascinatie voor Julia weergegeven. Veel komen we over deze minnares niet te weten, maar wat Loeff over haar loslaat klinkt suspect. Ze is veel jonger dan hij, iets boven de dertig, ze praat plat of aangeleerd netjes, zegt `absoluut' als ze `ja' bedoelt en bewoont een flat in een Bijlmerachtige buitenwijk die lijkt te zijn ingericht voor tijdelijke werknemers. Ze werkt vooral 's avonds, maar wil niet zeggen wat voor werk dat is. Het heeft er alle schijn van dat Julia een escort-juffrouw is die door Loeffs concurrenten in de vastgoedbranche zijn leven is binnengeduwd met de bedoeling hem de vernieling in te jagen.

Erik en Julia spreken zelden met elkaar, ze bedrijven voornamelijk seks, waarvoor Loeff haar betaalt met eten, drinken, kleine of grote cadeaus en een reisje naar Barcelona. Hij raakt verslaafd aan haar, zij weert hem af met als gevolg dat hij bijna waanzinnig wordt, zijn werk verwaarloost en zijn glaspaleis moet vergeten. De investeerders kiezen voor een braaf plan van een collega. Loeff blijft met lege handen achter: Julia wil hem niet meer zien, zijn doorzichtige droom ligt aan diggelen en hij begeeft zich naar een hotelkamer om daar in eenzaamheid zijn zonden te overdenken.

Daar, in dat hotel, uitkijkend over de daken van Amsterdam in de hete zomer van 1999 begint (en eindigt) het boek. De eerste zin luidt: `In het afgelopen jaar is het volgende gebeurd.' De terugblik vangt aan bij de zomer van 1998 waarin hij Julia ontmoette, met uitweidinkjes over zijn jeugd, zijn huwelijk en kinderen, zijn moeder, zijn passie voor popmuziek en voor glasarchitectuur. Beide passies komen uit hetzelfde idee voort: muziek en glas nemen geen ruimte in en Loeff houdt van ruimte, veel ruimte, ook in zijn eigen hoofd dat vrijwel leeg is.

Loeff is een oninteressante, oppervlakkige man, zonder gevoelsleven of denkwereld van betekenis. Van den Brink doet geen moeite hem interessant te maken, integendeel, hij heeft een roman geschreven over een antiheld: iemand wiens leven geen pieken en dalen kent, geen momenten om in te lijsten, niets wat op zichzelf bijzonder is. Alleen sommige psychiaters en `alle romanschrijvers', zegt de verteller, geloven dat grote dramatische gebeurtenissen blijvende veranderingen teweegbrengen, maar met het echte leven heeft dat niets te maken. `Dat gaat gestaag zijn onvermijdelijke gang.'

Als een experimentele antiroman over de ondragelijke saaiheid van het bestaan, zo heb ik Hart van Glas gelezen. Een roman over sleur en ledigheid hoeft niet saai te zijn, maar loopt wel dat risico. Van den Brink is daar niet volledig aan ontsnapt. Het boek mist de dramatische kracht en de sterke plot van zijn veel geprezen novelle Over het water en ook de taal is minder beeldend.

Tegelijkertijd borduurt het voort op Over het water, waar het een cynisch commentaar op vormt. De compositie van beide boeken, een terugblik op een beladen jaar (het laatste voor de Tweede Wereldoorlog, respectievelijk het laatste van de eeuw) is identiek, maar personages en thematiek zijn compleet tegenovergesteld.

Over het water gaat over geluk, iets waar je moeite voor moet doen, Loeff staat voor gemakzucht en wezenloosheid. In 1939 blijft de oorlog die heel dichtbij is, ongenoemd, in 1999 is de oorlog ver weg, in Kosovo, maar voordurend, via radio en tv, aanwezig en waarneembaar. Anton, de hoofdpersoon uit Over het water, heeft een kansarme, ongelukkige jeugd in een bedompte Amsterdamse arbeiderswoning, Loeff groeit op in de paradijselijke jaren zestig aan de rand van de polder.

De held van Over het water heeft – als hij aan het eind van zijn terugblik zelfmoord pleegt – het gevoel te hebben geleefd, Loeff berust in zijn `niet geleefde leven'. In een zinnetje dat rijmt met de beginzin van het boek verzucht de verteller in de laatste alinea dat er niets is gebeurd. Met andere woorden: wat we gelezen hebben is een roman over niets.

En Julia dan? Misschien is zij alleen maar een projectie van de projectontwikkelaar of een plaatje van de Beatles uit zijn jukebox: `A song of love for Julia', dat begint met de woorden: `Half of what I say is meaningless.' Maar betekenisloos is Een hart van glas niet, zelfs niet voor de helft. Het is juist beladen met betekenissen en het kost enige inspanning die te duiden. Wie die moeite neemt, wordt beloond met een intrigerend boek dat wringt en schuurt maar dat blijft boeien, lang nadat je het uit hebt.

H.M. van den Brink: Hart van glas. Meulenhoff, 255 blz. ƒ34,90

    • Elsbeth Etty