Reinhold Niebuhr: Moral Man and Immoral Society, 1932

`De bekwaamheid van de mens voor gerechtigheid maakt de democratie mogelijk; maar de neiging van de mens tot ongerechtigheid maakt de democratie noodzakelijk.' In deze getemperde hoop van de protestantse theoloog Reinhold Niebuhr ligt een wereldbeeld besloten, dat wel is omschreven als `christelijk realisme'. Op het eerste oog vloekt en wringt de samenvoeging van die twee begrippen. Want staat het geloof dat de bestaande wereld wil overstijgen niet haaks op het realisme dat de krachten wil doorgronden die de geschiedenis bepalen? Kunnen deze zienswijzen wel op een vruchtbare manier worden verenigd? De Amerikaan Reinhold Niebuhr (1892-1972), zoon van een Duits-evangelische predikant, dacht van wel. Juist de eindigheid van de mens maakt duidelijk waarom deze zich zo vastklampt aan illusies over zijn eigen, veelal zelfzuchtige beweegredenen. De christelijke zienswijze dwingt bij uitstek tot een realisme over mens en maatschappij. Niebuhrs denken werd gevormd door de machtsstrijd tussen liberale democratieën en totalitaire bewegingen in deze eeuw. Tegelijkertijd maakte zijn jarenlange werkzaamheid als predikant in Detroit, waar hij in aanraking kwam met de arbeiders in de Ford-fabrieken, hem gevoelig voor het sociaal onrecht in de liberale democratie. Een weging van het menselijk tekort en een radicaal sociaal streven typeert zijn klassiek geworden Moral Man and Immoral Society.

De invloed van Niebuhr op het politieke denken en doen in vooral de Verenigde Staten is aanzienlijk geweest. Moral Man and Immoral Society is van grote betekenis geweest voor de `realistische' traditie in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Deze opvatting, waarin het nationale belang en het machtsevenwicht tot leidraad worden verheven, heeft met illustere namen als George Kennan, Hans Morgenthau, Arthur Schlesinger jr., Henry Kissinger en Norman Podhoretz, lange tijd het Amerikaanse politieke denken gedomineerd. Zij allen konden met Kennan over Niebuhr zeggen: `He was the father of us all'.

Volgens Niebuhr staat het realisme voor de poging `om rekening te houden met alle factoren in een sociale en politieke situatie, die weerstand bieden aan algemeen aanvaarde normen'. Daarbij denkt hij in het bijzonder aan eigenbelang en macht. Zijn slotsom zal zijn dat elk politiek handelen moreel halfslachtig is, omdat macht tegenover macht, eigenbelang tegenover eigenbelang moet worden gesteld, ook al streeft men naar grotere sociale rechtvaardigheid.

Niebuhrs methode is wel omschreven als een `hermeneutiek van de achterdocht'. Voortdurend vermoedt hij zelfzuchtige beweegredenen achter grote gebaren en idealen, onvermoeibaar ontrafelt hij illusies omtrent mens en maatschappij. Daarbij gaat het lang niet altijd om een bewuste verdraaiing door bevoorrechte groepen, vaak genoeg zijn mensen in de greep van een hooggestemde moraal die ze propageren. Niet zozeer bedrog als wel zelfbedrog doordringt het maatschappelijke leven.

Niebuhr laat zien dat de menselijke vrijheid altijd de mogelijkheid in zich draagt om het kwade te kiezen: `Slechts bij hoge uitzondering voorziet de natuur ons van middelen ter verdediging die niet omgezet kunnen worden in middelen van agressie'. Gerechtvaardigde middelen van zelfverdediging kunnen meestal ook gebruikt worden om andere mensen of gemeenschappen te onderwerpen. Anders gezegd: de wil om te leven kan gemakkelijk en haast ongemerkt overgaan in de wil om te heersen.

Niebuhr is ervan overtuigd dat hoe groter een groep is, des te zwakker de zedelijkheid en de redelijkheid van het handelen zal zijn. Vooral de eigendunk van staten is spreekwoordelijk. Mensen stellen hun leven in dienst van de nationale gemeenschap, maar de optelsom van al deze toewijding bestaat uit naties die zonder al te veel bedenkingen hun eigen belangen najagen. In de liefde voor het vaderland wordt individuele opoffering getransformeerd tot collectieve zelfzucht.

De morele halfslachtigheid van de internationale politiek is dan ook een gegeven: elke hoop dat we door een uitbreiding van de sociale sympathie kunnen bijdragen tot de oplossing van grote problemen van de mensheid, is ijdel. De liberale verwachting dat harmonieuze internationale verhoudingen over de grenzen van handeldrijvende naties heen zullen opbloeien door gedeelde belangen en waarden, is aan Niebuhr niet echt besteed.

Die hardhandige diagnose stelt hij tegenover het Verlichtingsdenken, waarin redelijkheid en zedelijkheid uiteindelijk samenvallen. Dat wordt door Niebuhr niet zonder meer verworpen: `een groeiende rationaliteit in de samenleving ondermijnt de kritiekloze aanvaarding van onrecht', vindt ook hij. Maar met een beroep op de rede kan evenzeer eigenbelang worden gerechtvaardigd als een noodzakelijk element van maatschappelijke harmonie. Bovendien is het op de rede gestoelde zelfbewustzijn van de moderne mens, in het technologische tijdperk, een voortdurende uitnodiging om grenzen te verleggen en imperialistische doelen na te streven. Kortom, de heerschappij van de rede voert ons niet op eigen kracht naar een morele ordening.

Is de werking van de rede volgens Niebuhr gebonden aan grenzen, ook de religie heeft een beperkte betekenis als bron van moreel handelen in de geschiedenis. Terwijl een rationele ethiek uit is op rechtvaardigheid, zal een religieuze ethiek in het teken staan van liefde. Maar uitingen van liefde zijn gebonden aan nabijheid van de beminde en zullen derhalve nooit de egoïstische impulsen in een samenleving kunnen bedwingen. `Religie is altijd een vesting van hoop die is gebouwd op de rand van de wanhoop.'

Ondanks al deze voorbehouden is Niebuhrs `christelijk realisme' allerminst plat te noemen. Afzijdigheid in wereldse zaken is niet te verdedigen met een beroep op de zondige natuur van de mens. Hoezeer Niebuhr ook doende is om de werking van eigenbelang bloot te leggen, hij blijft zoeken naar mogelijkheden om de armslag van moreel handelen in de politiek te vergroten. Want hij weet dat een te eenduidig politiek realisme de samenleving zal veroordelen tot een eeuwige oorlog van allen tegen allen. Zo moeten we volgens hem bijvoorbeeld dwangmiddelen, hoe brandbaar die ook zijn in moreel opzicht, proberen in te zetten om de internationale rechtsorde te schragen.

Een eenduidig realisme wordt dus afgewezen, maar volgens Niebuhr vervalt de moralist op zijn beurt in een andere eenzijdigheid: een `ontkenning van het onrecht en de dwang die besloten liggen in elke sociale vrede'. Bij Niebuhr staat de gedachte voorop dat degenen die de rauwe werkelijkheid van menselijk handelen doorgronden, er beter in slagen om een duurzame en rechtvaardige ordening te verwerkelijken. Kortom, zijn politieke realisme wil uiteindelijk een christelijk idealisme dienen, maar dan wel een idealisme dat doordrongen is van de onontkoombare botsing van macht en moraal.

Vermindering van sociale ongelijkheid vraagt om machtsvorming van de rechtelozen. Geweldloze vormen van actief of passief verzet, zoals gepreekt en gepraktiseerd door Gandhi en Tolstoj, kunnen een enorme morele betekenis hebben. Toch vraagt het gevecht voor sociale rechtvaardigheid ook om dwangmiddelen. Voorrechten worden meestal niet uit sympathie opgegeven, maar doorgaans uit angst voor sociale onrust. Niebuhr toont zich ook in dit opzicht een hardhandige denker. Na een beschouwing over het revolutionaire en het evolutionaire socialisme luidt zijn slotsom dat een morele keuze tussen beide op rationele gronden onmogelijk is.

De ironie van Niebuhrs leven en werken is opmerkelijk. De door het marxisme sterk beïnvloedde domineeszoon speelde een grote rol in de realistische traditie, die bepalend is geweest tijdens de Koude Oorlog. De gedachte dat macht ook door macht moet worden ingedamd, scherpte de geest van een een hele generatie denkers en diplomaten. De vele buigingen in Moral Man and Immoral Society naar een radicaal socialisme waren al snel vergeten.

Als protestants theoloog was Niebuhr ten slotte effectiever dan wie dan ook in het bestrijden van de religieuze traditie die in Amerika een uitverkoren natie ziet. Dat nationale messianisme was naar Niebuhrs oordeel `de corrupte uitdrukking van de zoektocht van de mens naar ultieme waarden'. De hoogmoed van naties die voor God willen spelen in de geschiedenis komt onvermijdelijk voor de val. Oog in oog met illusies over een `nieuwe wereldorde', die wordt gedragen door Amerika, is Moral Man and Immoral Society een voortdurende herinnering aan de onuitwisbare morele zwakte van elk collectief handelen.

Reinhold Niebuhr: Moral Man and Immoral Society. Scribner, ƒ34,95 (pbk)

    • Paul Scheffer