Praktijk en theorie in Srebrenica

Het Srebrenica-rapport van de secretaris-generaal van de VN valt in twee delen uiteen: een genuanceerde, gedetailleerde en vaak technische beschrijving van de gebeurtenissen en vervolgens een aanklacht tegen de volkerenorganisatie zelf en haar leden. In de paragrafen `Lessen voor de Toekomst' erkent de secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, dat op verschillende momenten gedurende de oorlog de onderhandelingen met de Servische leiders neerkwamen op appeasement – een begrip dat in het historische vocabulaire staat voor het laffe stillen van de wensen van het Kwaad met het zoenoffer van onschuldige levens. ,,Niet sinds de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog was Europa getuige geweest van massamoord op deze schaal'', schrijft hij.

De stoffelijke resten zijn gevonden van bijna 2.500 mannen en jongens. Enkele duizenden meer worden nog vermist, en er is iedere reden te geloven, zo gaat Annan verder, dat in andere graven, die zijn onderzocht maar nog niet opengelegd, de lijken van nog eens duizenden mannen en jongens zullen worden aangetroffen.

In zijn verantwoording vooraf schiet Annan niet over zijn doel heen een bijdrage te leveren aan het historische relaas. ,,Ik ben niet in staat geweest alle tot dusver onbeantwoord gebleven vragen over de val van Srebrenica te beantwoorden, ondanks een oprechte poging dat te doen'', schrijft hij. En inderdaad, er wordt nagenoeg niets opgehelderd over de betrekkingen met de NAVO onder het, later verguisde, dubbele-sleutelsysteem. Het herhaalde verzoek van overste Karremans om luchtsteun voor zijn benarde veste raakte zoek in de bevelsketen tussen het VN-hoofdkwartier in New York en Dutchbat in Srebrenica. Annan kan dit alleen maar bevestigen.

Over een aantal voorvallen tijdens de Bosnische oorlog, die duurde van het voorjaar van 1992 tot de zomer van 1995, doet Annan voor het historische relaas markante uitspraken. In verschillende commentaren zijn de VS beschuldigd van de torpedering van het zogenoemde Vance-Owenplan, waarvan het opvallendste kenmerk was de opdeling van Bosnië-Herzegovina in tien provincies onder erkenning van de historische etnische meerderheid in die gebieden. De VS waren inderdaad zeer kritisch, erkent ook de secretaris-generaal, maar het plan sneuvelde in mei 1993 in de Nationale Vergadering van de Republika Srpska, de niet-erkende staat van de Bosnische Serviërs.

Op 5 februari 1994 explodeerde een mortiergranaat op de Markale-markt in het centrum van Sarajevo. Achtenzestig mensen werden gedood en meer dan tweehonderd raakten gewond. Volgens de bevelhebber van UNPROFOR in Sarajevo kon uit een eerste onderzoek van de krater worden afgeleid dat de granaat of van de Bosnische kant van de frontlijn was afgevuurd of mogelijk ter plaatse tot ontploffing was gebracht. In feite, schrijft Annan, sprak vervolgonderzoek deze aanname tegen. Maar de suggestie was voldoende om de mythe van de vergelijkbare immoraliteit van de oorlogvoerende partijen nog jarenlang voeding te geven.

De geschiedenis herhaalde zich kort na elf uur in de morgen van 28 augustus 1995. Vijf mortiergranaten explodeerden in het centrum van Sarajevo, waarvan een op de Markale-markt. De laatste veroorzaakte de dood van 37 mensen, bij benadering negentig personen raakten gewond. De geheimzinnigheid rondom het onderzoek van UNPROFOR leidde opnieuw tot speculaties dat niet de Servische belegeraars van Sarajevo schuldig waren. Annan: bestudering van de VN-documentatie bevestigt dat UNPROFOR het bewijsmateriaal duidelijk achtte: alle vijf granaten waren afgevuurd door de Serviërs.

Een zekere spanning valt op tussen het uitvoerige relaas over de val van Srebrenica en terechtwijzingen, hoe terughoudend ook geformuleerd, aan het adres van Dutchbat. Uit dat relaas valt maar een ding te concluderen: Dutchbat had de opdracht noch de middelen om de opmars van de Serviërs tot staan te brengen. Dutchbat was ingeprent, van hoog tot laag, dat de humanitaire missie vóór alles ging en dat partijdigheid diende te worden vermeden. De (lichte) wapens waren uitsluitend bestemd voor zelfverdediging in noodgevallen. Annan beaamt dat herhaaldelijk.

Srebrenica viel op 11 juli 1995. Toen Dutchbat twee dagen daarvoor opdracht kreeg vier stellingen te betrekken om de Servische opmars te weerstaan, stond dat bevel geheel los van de werkelijkheid – zeker toen de aangevraagde luchtsteun uitbleef en uiteindelijk te laat en zeer gebrekkig werd gegeven. Desondanks oppert Annan dat Dutchbat zich toch tussen de Serviërs en moslims had kunnen opstellen. Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe dat dit waarschijnlijk weinig verschil zou hebben gemaakt.

Er sneuvelde één Nederlander, op 8 juli: de 25-jarige soldaat eerste klas Raviv van Renssen uit 's-Graveland wiens eenheid op de gedwongen terugtocht van Observatie Post Foxtrot door Bosniërs onder vuur werd genomen. Daarna lieten de bemanningen van opgerolde voorposten zich, op een enkele uitzondering na, door de Serviërs afvoeren.

In de paragrafen `Onbeantwoorde Vragen' stelt Annan geen bewijzen te hebben gevonden voor de theorie dat een samenzwering heeft bestaan om de `veilige havens' in Oost-Bosnië op te offeren in ruil voor gebied rondom Sarajevo. Annan noemt het feit dat de val van de enclaves een vredesregeling vereenvoudigde ,,een tragische ironie''. ,,Geen bewijsmateriaal dat werd onderzocht [...] suggereert dat enige partij, Bosnisch of internationaal, de val van Srebrenica bekokstoofde of er toestemming toe gaf, andere dan zij die de aanval op de stad bevalen en uitvoerden.''

,,Mijn persoonlijke mening is'', schrijft de secretaris-generaal, ,,dat het falen van personen en instituties, op vele niveaus, eerder dan een samenzwering met voorbedachten rade de verklaring vormt waarom de Serviërs er niet van werden weerhouden het veilige gebied van Srebrenica te overrompelen.''

Annan komt tot de conclusie dat oorlog voeren en vrede bewaren twee verschillende dingen zijn. Vroeg in zijn ambtsperiode heeft Boutros-Ghali, de secretaris-generaal onder wie Annan diende, in Foreign Affairs zijn gedachten uiteengezet over het bewaren, handhaven en afdwingen van vrede, en het onderscheid daartussen. De secretaris-generaal en zijn secretariaat wisten waar zij mee bezig waren. Maar kennelijk was de praktijk nodig om de eigen theorieën ten volle te doorgronden.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon