Pech voor de Franse gans

De stoet boerderijdieren in kinderboeken, al dan niet met kleren aan, leeft doorgaans een idyllisch, vooroorlogs bestaan, ver van de bio-industrie. Het varken knort in de modder. Koetje boe staat met haar kalf in de wei. Kippen leven op een erf. Voor kinderen van een jaar of acht maakte Ditte Merle nu een informatief boek over boerderijdieren. Hierin komen de legbatterijen, het geïnsemineer en het snelle vetmesten met behulp van medicamenten wel voor.

Toch is Het boerenbeestenboek een vrolijk kinderboek, net als Merle's eerdere werk over insekten en dierentuindieren, ideaal om inspiratie op te doen voor een spreekbeurt. Het vierkante boek is mooi vormgegeven. Het staat vol gekleurde tekeningen van Alex de Wolf, die realistisch zijn en toch vertederen. Het boerenbeestenboek is een fijn Sinterklaascadeau voor al die kinderen die van dieren houden, al past het niet in een schoen.

Merle vertelt over de inborst en de gedragingen van koe, paard, geit en een enkel buitenissig boerderijdier zoals de struisvogel. Ze beschrijft hun ideale en hun werkelijke levensomstandigheden. Haar toon is laconiek. `Pech voor de Franse gans', schrijft ze over het volproppen van ganzen voor een grote lever. Of ze merkt op dat, als je lang op een diersoort jaagt, zo'n dier `opraakt'. Af en toe neemt ze duidelijker stelling. `Alles wat kippen graag doen, kunnen ze in die kooitjes niet'; `Toch is dat allemaal niet echt gezond'.

Maar een duidelijke aanklacht is Het boerenbeestenboek niet, Merle wil haar lezers zoveel mogelijk vrijlaten in hun oordeel. Pas aan het einde van het boek zet ze een duidelijker richtingsaanwijzer uit, in een sprookje over een leguaan. Een vrouw huilt omdat ze haar kind kwijt is. `Jouw kind komt heus wel terug', zegt de leguaan. `Maar al die leguaantjes die jij altijd eet en al die lieve biggetjes, kalfjes en kippetjes? Die hadden ook een moeder.'

Behalve de verwachte informatie, wat eten de beesten, hoe leven ze, heeft Merle een enorme hoeveelheid grappige anekdotes verzameld en uitgestrooid over haar boek. Ze schrijft over een gans die drugskoerier speelde voor gevangenen, over `een beroemde eend' in Duitsland die tijdens de oorlog geheel uit eigen beweging als luchtalarm diende (de sirene was stuk), over hanen als detectives, konijnen als klassieke muziekliefhebbers en op waterbedden slapende koeien. Deze anekdotes zijn de smaakmakers van het boek. Merle lost ook een aantal raadsels op. Hoe komen schapen aan de krijtvlek op hun vacht? Van de ram. Boeren binden een stuk krijt tussen zijn voorpoten om later eenvoudig te kunnen vaststellen welke ram welke ooi heeft gedekt.

Merle schrijft toegankelijk en geestig. Maar soms geeft ze een anekdote een onnodige en schools aandoende interpretatie. Over een paard dat door een Romeinse keizer als raadsheer werd aangesteld: `Want het paard liet zich tenminste niet omkopen. En hij bedacht geen gemene plannetjes zoals de rest van de ministers.' Over breedborstkalkoenen, gefokt voor hun vlees: `Tegen de tijd dat [de kalkoenen] naar het slachthuis gaan, zouden ze in een rolstoel moeten. Maar die gebruiken mensen alleen voor zichzelf.' Zoiets kunnen kinderen zelf wel concluderen.

Het domste dier in Merle's boek moet wel de struisvogel zijn. Hij kan niet tegen regen, maar komt er niet op te schuilen. Hij laat zich vangen door als struisvogel verklede mensen. Toch is het bekendste domme-struisvogelweetje onwaar. Een struisvogel stopt zijn kop niet in de grond. Nooit. `Ziet [de struisvogelvader] tijdens het broeden een hyena in de verte, dan legt-ie zijn lange nek plat op de grond. Zo valt hij niet op. Oh, dat is een heuveltje, denkt de hyena, en loopt door. Mensen die zo'n heuveltje zagen en nergens een kop, dachten dat de stuisvogel zijn kop in het zand had gestoken.'

Ditte Merle: Het boerenbeestenboek. Koebeesten, klimgeiten, soepkippen, krulstaarten en veel gekukel. Met illustraties van Alex de Wolf.

Van Reemst/Unieboek. 93 blz. ƒ39,90

    • Judith Eiselin