Nomen est omen

In de onderkastafdeling van mijn bibliotheek staan verschillende werken die aan de naamgeving der dingen zijn gewijd. In de eerste plaats natuurlijk naslagwerken over voor- of familienamen, Ewoud Sanders' onvolprezen Geoniemenwoordenboek (de historie van zaaknamen afkomstig uit de atlas) en van dezelfde samensteller het Eponiemenwoordenboek (zaaknamen afgeleid van persoonsnamen). Intrigerend in dezelfde afdeling is ook Paul Hellwegs Wordsworth Book of Intriguing Words, met daarin onder meer James Joyce's honderdletterige verbalisatie van het geluid van brekend glas `Klikkaklakkak-

laskaklopatzklatschabattacrep-

pycrottygraddaghsemmihsaminou-

ithappluddyappladdypkonpkot'

en `giganticide' (massamoord op reuzen). Schitterend ook is de collectie van J.J. de Witte Ordo Praedicatorum in diens De betekeniswereld van het lichaam, waarin fysieke naamgeving uit verre uithoeken van de wereld (uit het Marindinees of het Bare'e) naast Nederlandse en andere West-Europese talen op zeer beredeneerde manier wordt gelegd. Wat schitterende gegevens oplevert. Zo vertelt predikheer Witte over de uitroep van Job 'ik heb evengoed een hart' (12:3) dat deze geplaagde landbezitter in werkelijkheid 'ik heb ook een verstand!' wil zeggen.

Nu heeft J.J. de Witte een wetenschappelijke bedoeling met zijn omvangrijke, vergelijkende inventarisatie: hij wil via de benamingen van al die volkeren voor het fysiek en alle uiteenlopende onderdelen daarvan doordringen in hun belevingswereld. Zijn studie is dan ook van (taal)psychologische aard. De betekeniswereld van het lichaam laat zich echter ook goed als soms verbazingwekkende, soms hilarische, verstrooiende lectuur gebruiken. Zo meldt hij bijvoorbeeld dat de Egyptenaren al het verschijnsel 'scheelkijken uit jaloezie' kenden (iw p s iwtj h3 tj f 'h' <hr>b3 k irt.f hnr r.sn' - de niet geleerde mens staat en werkt, terwijl zijn oog scheel kijkt naar hen die schrijver zijn geworden). Daar keek ik van op.

Van zuiver verstrooiende aard is Jan Vanrooses Het kleine namenboek. Over de namen van mensen, dieren en dingen. Een klein schatkamertje aan anekdotes. Natuurlijk vinden we gegevens die zo toevallig zijn dat ze haast tot de categorie 'broodje aap' moeten behoren. Aan de andere kant levert de werkelijkheid zoveel ongeloofwaardigs op, dat dezelfde realiteit bijna gebiedt de auteur op zijn woord te geloven.

Op zich trek je bij de Sovjet-naam Wilior niet meteen je wenkbrauwen op, maar als Vanroose meldt dat het een samenstelling van Wladimir Iljitsj Lenin, initiator van de Oktober-Revolutie betreft, krab je je toch op het hoofd. En wie leest over de arme Palestijn die door zijn zwakhoofdige vader Hitler Abou Hammad werd genoemd (zijn broer heette Rommel) en bij elke Israelische pascontrole wordt mishandeld, begrijpt welk schemerrijk tussen geloof en ongeloof we hebben betreden. De Franse componist Louis Jullien (1812-1860), vertelt Jan Vanroose, kreeg na zijn geboorte niet minder dan zesendertig voornamen. Opmerkelijk, maar de oorzaak is nog opmerkelijker. Je begrijpt meteen waarom de kleine Louis wel componist moest worden: alle zesendertig leden van de plaatselijke filharmonische vereniging hadden erop gestaan peetvader van het kleine talent te worden. Het heeft Jullien toch niet meegezeten, schrijft Vanroose. Hij ging verschillende keren failliet, de partituren van zijn belangrijkste werken gingen verloren bij de brand van Covent Garden in 1856, en toen Berlioz zijn collega beschreef als iemand 'met het ontegensprekelijke karakter van een gek' kreeg hij gelijk: Julliens stierf in een psychiatrische inrichting.

Anekdotenboeken, moppenboeken, woordenboeken of bloemlezingen, alle verzamelwerken vallen of staan met de smaak van de samensteller. Ik kan genieten van de opsomming van de namen van de zeven dwergen van Sneeuwwitje in Brewers Dictionary of Phrase and Fable (1870), en van de definitie van `Tult' uit Brewers Nederlandse tegenvoeter, Taco H. de Beers en E. Laurillards Woordenschat (1899) - 'Bij de verzending van balken wordt voor de vrachtberekening als grondslag aangenomen de T.: 1 tult = 216 lopende voeten of = 12 balken van 18 engelsche duim lengte en 10 x 11 engelsche duim breedte en dikte'.

Ook Vanrooses Kleine Namenboek bevat vele parels. We lezen over de gewiekste hoerenmadam Lindi St.Clair uit New York die vastbesloten was met haar escortonderneming het telefoonboek te openen en het daarom 'Aaaaaaaaaagghh, That's Nice' noemde. De naam van een onzer beroemdste schrijvers blijkt te berusten op een straathoek: de grootvader van Simon Vestdijk werd als vondeling aangetrofen op de kruising van de Haarlemmer Oostvest en de Dijkstraat. In de synoniemenlijst van WordPerfect bleek het trefwoord 'Jezus' de woorden 'goddomme', 'jeminee' en 'sodeju' te genereren, waartegen de Bond tegen het Vloeken begrijpelijkerwijs protesteerde, en wanneer een Amerikaan erover klaagt dat hij een 'Michael Jackson' heeft gehad, dan wil dat zeggen dat zijn neus na de plastische chirurgie niet lekker zit.

Waar haalde Jan Vanroose al dat moois vandaan? Uit de krant, zegt hij in de inleiding: 'Mijn moeder vertelde mij dat ik al bezig was met het knippen in kranten voordat ik goed en wel een schaar kon vasthouden.' Bij één van zijn lijstjes in Het kleine namenboek geloof ik hem niet. Vanroose heeft óók geknipt in een boek, en wel in Paul Hellwegs Wordsworth Book of Intriguing Words, dat ik eerder noemde. In de Vanrooses afdeling 'De mens' vinden we een regelrecht uit Hellwegs verzameling weggelopen lijst van angsten. Gejat is op zijn minst het idee: angst voor computers (logizomechanofobie), angst voor God (theofobie), angst voor jeuk (acarofobie), angst voor pindakaas die tegen je gehemelte plakt (arachibutyrofobie). Maar wie neemt een samensteller als Jan Vanroose diefstal kwalijk, als de buit uit zulke parels bestaat?

Jan Vanroose: Het kleine namenboek. Over de namen van mensen, dieren en dingen. Bert Bakker, 182 blz. ƒ19,90

    • Atte Jongstra