Man & Faverey

Zo begint een gedicht van Hans Faverey (1933 - 1990):

Ball; say: ball.

(Bal; zeg: bal).

Je moet `bal' zeggen.

Dolfijn, zeg eens bal.

B / a / l. Hé,

dolfijn, zeg nou eens `bal'.

En zo gaat het nog een tijdje door. Vijf van zulke delen achter elkaar, dertig regels in totaal. Samen vormen ze de reeks Man & dolphin / mens & dolfijn, voor het eerst gepubliceerd in 1971. De reeks doet verslag van een poging om met een dolfijn in gesprek te raken, maar de oefening lijkt vooralsnog weing geslaagd. De slotregel luidt: `Bal, dolfijn. Bal. `Bal'. (Bal).' Het gevraagde woord wordt wanhopig herhaald, maar de dolfijn blijft zwijgen en zal dat vermoedelijk ook na de laatste punt wel blijven doen.

Man & dolphin is in zekere zin Favereys meest begrijpelijke gedicht. De `inhoud' ervan is eenvoudig navertelbaar. Maar tegelijk is dit natuurlijk een hoogst bizar, en ook een hoogst hilarisch geval: een absurde monoloog, een waanzinnige scène, een Monty Python-sketch. Slappe-lach-effecten doen zich in Favereys poëzie wel vaker voor, voor wie er althans gevoelig voor is. De vijfdelige reeks De witz van de twee doven van pointe ontdaan, en veranderd is er ook zo een, met sterke dialogen als

- Hoe doof is eigenlijk een kwartel.

- Wat zèg je?'

Wat wil dit rare dolfijnenvers, of wat wil de dichter ermee? Alleen maar lachen? Zou kunnen. Toch nodigt het ook meteen uit tot inventariseren, en tellen. Hoe vaak komt het woord `bal' voor? Hoeveel, of liever: hoe weinig verschillende woorden telt de reeks? Hoe zit het precies met de afwisseling van Engels en Nederlands? Wat staat tussen aanhalingstekens en wat niet? Zit er systeem in het gebruik van haakjes? Juist door het ontbreken van een inhoudelijke ontwikkeling richt de lezer, hongerig naar een clou, zich op dit soort uiterlijkheden, maar het levert allemaal niets op. Ook uit leestekengebruik en typografie vallen geen conclusies te trekken, en aan het eind zijn we geen steek verder. Het zoeken naar structuur is even vruchteloos en geeft dezelfde gevoelens van onmacht als de pogingen van de dolfijndompteur of -dompteuse om het beest aan het spreken te krijgen – en het is juist deze overeenkomst die heel wat lezers, mij ook, ertoe verleid heeft deze reeks dan maar op te vatten als een allegorie.

Dat inpraten op een dier en geen antwoord krijgen: is dat niet net de dichter die poogt de werkelijheid te beschrijven, maar daar natuurlijk nooit in slaagt? Of: is dat niet een mooie illustratie van het onmogelijke dat Faverey in zijn autonome poëzie tot stand probeert te brengen, namelijk gedichten niet namens de dichter, maar voor zichzelf te laten spreken? Of moeten we in het zwijgen van de dolfijn juist het wezenlijke zwijgen zien waar het in Favereys poëzie (`een lek in het zwijgen') vaak om gaat? Of is het net omgekeerd: de dompteur is de lezer, en de nukkig zwijgende dolfijn is de moeilijke dichter Faverey die ons geen inzicht in zijn beweegredenen verschaft? Er zijn mogelijkheden genoeg om deze absurde anekdote op te blazen tot een allegorie, een hoogst poëticale verhandeling of tot het symbool bij uitstek van het naar niets anders dan naar zichzelf verwijzende vers.

Faverey komt ook ter sprake in De poëzie van de dolfijn van Ewout van der Knaap: een monografie over de dolfijn, zijn populariteit bij reclamemakers en New Age-aanhangers, de delfinolatrie van de laatste jaren en vooral over zijn rol in de poëzie. Van der Knaap citeert Man & dolphin, vertelt er het een en ander over, geeft wat achtergronden en interpretatievoorstellen – en komt dan ineens met de verbluffende mededeling dat het hier niet om een verzonnen, absurde, hoog poëticale reeks gaat, maar om een kant en klaar uit de werkelijkheid genomen geval. Titel, gegeven en de belangrijkste delen van de tekst zijn ontleend aan het onderzoek naar het spraakvermogen van dolfijnen, uitgevoerd door John Cunningham Lilly, beschreven in onder andere de studies Man and Dolphin (1961; Nederlandse vertaling Mens en dolfijn, 1963) en The Mind of the Dolphin. In het laatste boek vinden we bijvoorbeeld beschreven hoe in oktober 1965, in Lilly's eigen Dolphin Point Laboratory op St. Thomas (Maagdeneilanden), onderzoeksassistente Margaret Howe eindeloos op dolfijn Peter inpraat, met zinnetjes als `Say `ball'', ``Ball' with a `b'`, `Say ... ball': een bloedserieuze, wetenschappelijk begeleide poging het dier tot een antwoord te verleiden. Uiteindelijk zegt Peter iets terug, iets als `baww', uitgesproken op een bepaald mensachtige toon, waarop zijn juf begrijpelijk genoeg blij reageert: `Yes! Bawl! Good!'. Maar met echt spreken heeft dit vermoedelijk niet veel te maken, zoals ook Faverey subtiel lijkt te willen aangeven door zijn dolfijn dertig regels lang juist te laten zwijgen.

Over dolfijnen en dolfijnenspraak valt nog veel meer te zeggen. En ook over de dolfijnenjuf (ze komt ook in een gedicht van Hamelink voor). En over delphinoloog Lilly zelf, die al in 1967 besloot zijn hele dolfinarium op te doeken om zich wetenschappelijk te gaan verdiepen in LSD-trips, mystiek en kosmische liefde. Machtig interessant allemaal, maar ik was toch nog het meest verbluft door het simpele feit dat een tot nu toe als typisch `autonoom' geldend gedicht van onze meest `zuivere' dichter een readymade bleek te zijn.

Wat te doen met zo'n mededeling? Even trok in mijn achterhoofd de plagiaatsensatie voorbij. En daarna wel degelijk teleurstelling: de dichter bleek zijn absurde sketch niet zelf verzonnen te hebben. En ook een gevoel van ontnuchtering, om de naakte werkelijkheid die hier zomaar het autonome universum was binnengedrongen. En onzekerheid: zouden oudere lezers dit altijd al geweten hebben? Wat zou er in Favereys poëzie allemaal nog meer aan de werkelijkheid ontleend blijken te zijn? En daarbij voegde zich ook nog eens deze verdubbelde verbluftheid: dat ik de werkelijkheid weer eens onderschat bleek te hebben. Voor het ware absurdisme hebben we de dichters niet nodig. Blijkbaar wist Faverey dat in 1971 ook al.

    • Guus Middag