Koningen van het contrast

De achttiende eeuw staat in de Britse moderne geschiedenis aangeschreven als een gelijkmatige of zelfs eentonige periode. Al waren er oorlogen en overzeese veroveringen, en wemelde het binnenslands van intriges en oproeren, er kwamen geen verschuivingen in de verhoudingen voor zoals in de voorafgaande en de volgende eeuw. Dat George III een van de bekende Engelse koningen is geworden dankt hij ook niet aan invloed die hij gehad zou kunnen hebben op het geschiedverloop. Het zal eerder komen door de indrukwekkende lengte van zijn regeringsperiode, van 1760 to 1820, en door de krankzinnigheid die hem in zijn laatste dertig jaar kwelde, eerst incidenteel en ten slotte onafgebroken.

The madness of George III is de afgelopen zeven jaar een vertrouwd gegeven geworden voor toneel- en filmbezoekers door het werk van Alan Bennett, met het gezicht van Nigel Hawthorne als dat van de koning. Bennett beperkte zich tot 1788-'89 en kon een genezing bieden als slot. De ware George kreeg met nieuwe voorbijgaande aanvallen van de ziekte te kampen in de volgende twintig jaar. Toen hij er in 1811 niet meer overheen kwam, moest een regentschap worden ingesteld onder de Prins van Wales. Die Regency geldt als een glorietijd, een gouden decennium van architecten, meubelontwerpers en edelsmeden. Dat de eerste vier jaar de oorlog tegen Napoleon nog voortging en daarna de versukkeling van de economie pas hard ondervonden werd, was geen beletsel voor het goede leven van degenen die het konden betalen. De Regent troonde boven een verarmde en agressieve stedelijke bevolking en een flonkerende cultuur. Hij gaf diners, feesten en bouwopdrachten zoals hij van jongs af aan had gedaan; hij werd verwenst en soms uitgescholden als hij zich aan het publiek vertoonde.

De oude koning, nu afgezonderd levend in Windsor, was aanvankelijk geen populair staatshoofd geweest omdat hij zich juist te stijf, te degelijk en te zuinig voordeed. Hij was een beginselvaste man, soms prijzenswaardig en soms kortzichtig. Alleen in zijn vrije tijd bleek hij een geschikte kerel om mee te praten, volgens sommige van zijn onderdanen die hem ontmoetten buiten het strenge ritueel van het hof. Eén van zijn lasten was zijn huwelijk met Charlotte van Mecklenburg-Strelitz, bij wie hij zonder genoegen vijftien kinderen verwekte. Op zijn twintigste had hij willen trouwen met Sarah Lennox, een dochter van de hertog van Richmond. Lord Bute, in die tijd zijn eerste minister en bron van wijsheid, vond het niet goed, en de koning bleef zijn leven lang bitter over zijn echtelijke plicht. Toen hij in de war raakte, sloeg hij vaak onbehoorlijke taal uit over andere vrouwen. De koningin, die bijna even lang leefde als hij, werd daar niet beminnelijker van.

Beklemming

Christopher Hibbert die naast ander historisch werk al een dozijn eerdere biografieën op zijn naam heeft dient deze de laatste tijd, en ook deze keer aan als personal history. Een studie dus van de persoon met het werk op de achtergrond, wat de ene keer beter uitpakt dan de andere: bij Wellington en Nelson minder goed dan bij George III, die zich weinig uitleefde in zijn werk. Hij bleef opgesloten binnen zijn persoonlijkheid en wie over hem leest, gaat de beklemmig meevoelen van een koningschap voor iemand die alle regels letterlijk opvatte.

Ter compensatie legde hij enkele kwaliteiten aan de dag die hem sierden in zijn representatieve rol: zijn vermogen mensen te herkennen na een enkele ontmoeting en zijn belangstelling voor economie, wetenschap en zelfs literatuur, waar hij kritisch over oordeelde. ``Was there ever such stuff as a great part of Shakespeare?', zei hij tegen Fanny Burney, de romanschrijfster die in de jaren tachtig een tijd lang als hofdame werkte. ``Only one must not say so! What think you? – What? – Is there not sad stuff? – What? – what?'

Het What? What? waarmee hij gewoon was zijn vragen en retorische vragen af te ronden is door de eeuwen heen blijven klinken. Het helpt ons een voorstelling te vormen van zijn gesprekken met gasten die vaak onzeker waren over wat zij konden of mochten zeggen in antwoord op zijn opinies.

Hooggeplaatse personen die te stellen hebben met verlegen gespreksgenoten zouden ook tegenwoordig gediend kunnen zijn met de formule van George III. Als hij herstellende was na een van zijn ziekteperiodes gold als aanwijzing dat hij zich beter begon te voelen: ``The King is what-whatting again.'Zijn grappige eigenaardigheden hebben meer indruk nagelaten dan zijn bemoeienissen met de politiek. Hibbert beoordeelt hem gunstiger dan sommige anderen gedaan hebben als gesprekspartner voor zijn regeringen, maar in deze personal history gaat hij er niet uitvoerig genoeg op in om twijfelaars te overtuigen. George had het moeilijk in de omgang met zijn voornaamste ministers, van wie hij sommigen te hoog schatte en anderen te laag, en hij was te conservatief om meer dan een remmende invloed uit te oefenen op het beleid. Hij was geen man om van onder de indruk te raken, wel om mee te sympathiseren, en op den duur won hij het vertrouwen van zijn volk, als toonbeeld van onwrikbare Britsheid.

Een uitzondering bleef de Prins van Wales, die van zijn tiende jaar af in verzet tegen zijn vader leefde. Tot hij op zijn vijftigste regent werd mocht deze jonge George nergens over meepraten. De eigenwijze koning wist alles beter en had hem geen andere rol te bieden dan van een beter soort hoveling, bescheiden op de achtergrond en gehoorzaam in de keuze van zijn vrienden en kennissen. De prins deed het tegenovergestelde. Hij koos partij voor de oppositie en raakte bevriend met Charles James Fox, de voorman van de Whigs, groot redenaar en feestnummer, en bête noire aan het hof. Hij begon enorme schulden te maken om zijn huizen te verfraaien, kunstaankopen te doen en partijen te geven. Wat voor bedragen hij uitgaf, wist hij niet bij benadering. Dat moest af en toe uitgezocht worden door ambtenaren, die verbleekten als zij ontdekten hoeveel honderdduizenden ponden er tekort waren, vergelijkbaar met tientallen miljoenen ponden van nu. Intussen trouwde hij met een katholieke weduwe, Maria Fitzherbert, een huwelijk dat volgens de Royal Marriage Act niet geldig kon zijn. Het gebeurde in het geheim bij avond, door een dominee van de Engelse kerk die zich had laten overhalen. Al was het ongeldig, Mrs. Fitzherbert geloofde erin en vertoonde zich overal met de Prins, bij mensen die wisten dat zij formeel nooit zijn vrouw kon zijn en koningin worden. Toen de liefde in 1795 bekoeld was, legde George zich neer bij een huwelijk met een Duitse prinses die hij afstotend vond zodra zij uit Brunswijk aankwam. Hij verwekte een dochter bij haar en zag haar daarna zelden of nooit meer.

Het leven van deze prins, als troonopvolger, als regent en na 1820 tien jaar lang als Koning George IV heeft nooit zo'n allure aangenomen dat iemand hem helemaal ernstig nam. Hij leek meer in beslag genomen door zijn privé-verwikkelingen dan door overheidszaken, en meer door zijn kunstverzameling dan door de nood van het volk. Hij werd steeds dikker en ongezonder, al wist een hofschilder als Thomas Lawrence hem op zijn zestigste in 1822 nog zo uit te beelden dat hij een alerte, elegante indruk maakte. De publieke opinie bleef hem geringschatten en vond hem toch ook iets innemends koninklijks hebben: zo is de Engelse traditie, verdeeld tussen respect voor burgerfatsoen en voor aristocratische sans-gêne.

Vader en zoon

De zeventig jaar van deze contrasterende koningen spreken tot de verbeelding als een familiekroniek. Dat zij geen van beiden scherpziende en ingrijpende vorsten waren deed er ten slotte weinig toe: Engeland begon toch in hun tijd aan zijn machtigste eeuw. Meer dan als politieke figuren lonen zij de aandacht als een vader en een zoon die door het toeval van het lot op het topje van de samenleving stand moesten houden. Christopher Hibbert over de vader geeft het intiemst herkenbare beeld van een persoonlijkheid, ook al is hij niet op zijn allerbest en in de laatste twintig jaar verder weg van de ongelukkige koning dan mij nodig lijkt.

E.A. Smith van de universiteit van Reading, overleden kort na de voltooiing van zijn boek over George IV, heeft er een degelijke bijdrage aan de serie English Monarchs van Yale van gemaakt. Hij is iets te sober en rechttoe rechtaan om zo'n zwaarlijvige klagelijke spring-in-'t-veld als George IV tot zijn recht te laten komen. Wel vertelt hij het voornaamste, en zijn lezers zullen zich verbazen over hoe het eraan toeging.

Christopher Hibbert: George III, a personal history. Viking, 464 blz. ƒ79,60

E.A. Smith: George IV. Yale University Press, 306 blz. ƒ99,50

    • J.J. Peereboom