Jij bloot? Ik ook!

Dronkaards die lallen en urineren tegen de witte museummuren: met haar video-installatie in Middelburg zet Gillian Wearing alle mensen neer als grote wandelende littekens.

Dronken zwervers. Omsingeld door een zweetgeur van dagen hangen ze rond voor metro-ingangen en winkelcentra, op parkbankjes en bij treinstations, vaak in het gezelschap van een hond met kale plekken die het bedelen moet vereenvoudigen. Doorgewinterde stadsbewoners negeren hen. Oogcontact zou immers tot ander, financieel ongewenst contact kunnen leiden. Wie zijn die mensen? Ze maken deel uit van het stadslandschap, dat zonder hen iets van zijn scherpte en zijn walm zou verliezen. Soms worden hun sporen nagegaan in een tv-documentaire: als kind verwaarloosd, later aan drank of drugs, werk, huis en gezin dus kwijt. Misère kent evenals geluk maar heel weinig variatie. `Mijn geval is niet uniek: ik ben bang om dood te gaan en vind het vreselijk dat ik besta. Ik heb niet gewerkt, ik heb niet gestudeerd. Ik heb gehuild, ik heb geschreeuwd. Mijn tranen en geschreeuw hebben me veel tijd gekost. De kwelling van die verloren tijd zodra ik eraan denk. Ik kan niet lang nadenken maar ik kan met plezier boven een verlept slablad alleen maar spijt zitten te hebben,' zo begint Violette Leduc haar roman De bastaard over het ongewenste, buitenechtelijke kind dat zijzelf was, en vervolgt bijtend: `Het verleden voedt niet. Ik zal weer gaan zoals ik gekomen ben. Intact, belast en beladen met mijn gebreken die me gekweld hebben. Ik had als standbeeld geboren willen zijn, ik ben een worm onder mijn mestvaalt. Deugden, kwaliteiten, moed, bespiegeling, cultuur. Met mijn handen in mijn schoot ben ik op die woorden stuk gelopen.'

Deugden, kwaliteiten, moed, bespiegeling, cultuur. Het zijn ook niet de eerste woorden die in je opkomen bij het zien van de lallende personages in Drunk, de nieuwste video-installatie van Gillian Wearing die twee jaar geleden de belangrijkste beeldende kunstprijs van Engeland, de Turnerprize, won voor onder meer de video Sacha and mum, waarin een moeder en een dochter (gespeeld door actrices) een ballet van mishandeling opvoerden. Die video werd vooruit en achteruit afgespeeld, alsmaar heen en weer. Aan het slaan, schoppen, knijpen, duwen, harentrekken kwam geen einde. Haast nooit heb ik het claustrofobische van huiselijk geweld zo geconcentreerd weergegeven zien worden.

Ditmaal, voor de tentoonstelling in de Vleeshal in Middelburg, filmde Wearing een stel verloederde drinkers. Geprojecteerd op drie schermen van gelijke grootte doen ze alles waarin alcoholisten uitmunten: ze lopen onvast heen en weer, omhelzen elkaar wezenloos, zakken ineen, brabbelen, treiteren een ander, maken ruzie, kwijlen en vechten en drinken en pissen tegen de muur. De muur waar ze tegenaan pissen is smetteloos wit. Het is een galeriemuur, een museummuur. Wearing heeft haar dronkaards uit de smoezelige omgeving waarin ze zich gewoonlijk bevinden gelicht en ze in een nieuw isolement, dat van een kunstruimte, geplaatst.

Eenzelfde soort decorwisseling, maar dan veel veel vrolijker, bevatte het werk Western security uit 1995, waarin volwassenen verkleed als cowboys schietend door de sjieke Hayward Gallery renden. In een interview heeft Wearing hierover verklaard: `Those white spaces usually command such respect, and I like the complete disrepect of it. How many times you been to a gallery and had pure fun?'. (Die witte ruimtes vragen meestal om zoveel respect, en ik hou juist van de totale ontkenning daarvan. Hoe vaak ben je in een galerie geweest dat je daar echt plezier had?)

Met vaak eenvoudige stijlmiddelen weet Gillian Wearing in haar werk bizarre effecten op te roepen, zoals met de video waarin een aantal volwassenen de persoonlijke verhalen van kinderen tussen de tien en zestien jaar liplezend navertelt. Twee middelbare vrouwen, die in het park aan een picknick zitten,doen samen het relaas van een tienjarig meisje. Via hun bezige oude monden vertelt ze dat weinig mensen haar aardig vinden, ze is te ruw, te agressief. Volgens iedereen lijkt ze daarin op haar moeder. Zelf is ze ervan overtuigd dat ze meer op haar kat Rebecca lijkt. Ze klimt namelijk graag in allerlei dingen en houdt ook van lang slapen. Of neem het verhaal van dat dertienjarige jongetje dat zijn moeder haat omdat ze lesbisch geworden is. Het liefste zou hij haar vermoorden. Zijn moeder heeft hem ooit geleerd wat de eenvoudigste manier is om iemand te vermoorden: je moet doperwten bevriezen en weer laten ontdooien en er vervolgens soep van koken, hij is vast van plan dat recept op haar uit te proberen. Zijn verhaal wordt vertolkt door een volwassen dwerg die in bad ligt. Wearing is bovenmatig geïnteresseerd in mensen die van de norm afwijken, in buitenstaanders, freaks. In een interview heeft ze eens gezegd dat ze in haar jeugd ook een buitenbeentje was, dat door haar omgeving niet geaccepteerd werd. Het zou haar ontvankelijk maken voor het lef van mensen die maatschappelijke normen trotseren, soms vrijwillig, maar vaker uit bittere noodzaak. In haar werk lijkt iedereen wel de verkeerde persoon in het verkeerde lichaam. Misplaatst. Monsterlijk. Maar als we allemaal monsters zijn dan is niemand het. Dan hoeft afwijkend gedrag of uiterlijk niet meer tot sociaal isolement te leiden.

Op drie grote foto's uit 1993, Take your top of, ligt Wearing drie keer met ontbloot bovenlijf in bed naast eveneens halfnaakte transseksuelen die schuchter lachend naar de camera kijken. Ze heeft de zelfontspanner van haar fototoestel in haar rechterhand geklemd en kijkt ernstig en geconcentreerd in de lens. Zij is degene die de regie heeft over het beeld, zoveel is duidelijk, maar tegelijkertijd toont ze een roerende solidariteit met haar onderwerp door ernaast in bed te kruipen: Jij bloot op de foto? Dan ik ook bloot op de foto!

Een jaar later maakte ze een video waarin ze vijfentwintig minuten lang, zonder muziek, als een krankzinnige danst in een druk winkelcentrum. Een andere video toont een vrouw die door de stad loopt met haar hoofd volledig in verband gewikkeld. Beide keren filmt ze ook de reacties van voorbijgangers op dit afwijkende gedrag. In die aanpak wordt ze duidelijk beïnvloed door documentaires. Ze bewondert documentairemaker Michael Apted, de regisseur van 7up, die mensen uit verschillende milieu's om de zeven jaar op film vastlegt en via hun verhalen een portret van hedendaags Engeland schetst dat zijn gelijke niet kent.

In de catalogus wordt Gillian Wearings werk ook in verband gebracht met kunstenaars als André Breton, James Ensor, Diane Arbus, Christian Boltanski, Magritte, August Sander, Hans Bellmer, meer Sander, meer Ensor, Bruce Nauman natuurlijk. Filosofen als Blaise Pascal, Roland Barthes, Gilles Deleuze, Hélène Cixous, Michel Foucault. Karl Marx, Freud en Japanse Noh-maskers. En het regent postmoderne identiteit, elektronische intimiteit, culturele context, representatie van de Ander en nog veel meer. Sommige vergelijkingen zijn geslaagder dan andere. Het geheel geeft de indruk van over-interpretatie.

Mensen weten soms van gekkigheid niet wat ze over beeldende kunst moeten schrijven. Zelf heb ik dat ook wel eens. Dan citeer ik snel een versje van Stevie Smith: `I can call up old ghosts, and they will come, / But my art limps, -I cannot send them home.' Zo dwalen de oude geesten van Karl, Sigmund, Blaise, Diane en de anderen onrustig om het werk van Gillian Wearing heen en benemen hun schimmen je het zicht erop.

Wat mij betreft gaat haar werk over het sociale keurslijf waarin mensen zitten. Aan de ene kant bevindt zich steeds het duistere innerlijke leven, spelonk na spelonk, waarvan anderen maar hoogst zelden een glimp zullen opvangen en aan de andere kant de aangepaste versie waarmee je de wereld tegemoet treedt. De spanning tussen die twee, binnen- en buitenkant, vulling en vel, is Wearings belangrijkste thema. De vulling wil niet altijd in het vel blijven zitten. Dat komt goed naar voren in Signs that say what you want them to say and not Signs that say what someone else wants you to say, een serie foto's van mensen die Wearing op straat aangesproken had met de vraag of ze ze zouden willen poseren met een vel papier waarop ze een boodschap geschreven hadden. Ongeveer zeshonderd mensen stemden toe.

Een iets te gladde jongen zegt queer en happy te zijn. Een zwarte politieman schrijft help op. I have been certified as mildly insane meldt het stuk papier dat een man met tatoeages in zijn gezicht omhooghoudt in een winkelpassage. Hij lijkt erin te berusten. Een jonge zakenman, strak in het pak. Op zijn vel papier staat dat hij wanhopig is. Een ander, sjofel gekleed en met de uitstraling van een timide aap schrijft: I've thought about being a gigolo but I'm worried about the health risks!.

In dit werk komen binnen- en buitenwereld bij elkaar, die indruk wordt althans gewekt. Mensen hebben hun intieme gedachten aan het papier, aan Wearing en ook aan ons toevertrouwd. Maar ik begin te twijfelen: zijn dit nu aangepaste versies die we te zien krijgen of wordt ons werkelijk een opzienbarend kijkje in de spelonk gegund? Wat iemand bezielt zal altijd gissen blijven. Je kunt zijn binnenwerk immers niet gaan controleren.

Een aantal van de werken die Gillian Wearing in de eerste helft van de jaren negentig gemaakt heeft, lijkt sindsdien ingehaald te zijn door de ontwikkelingen in de media. De tegenstelling tussen binnen- en buitenwereld lijkt er probleemloos in te zijn opgeheven. Zielskrampen en perversies worden in tv-programma's getoond alsof het alternatieve ridderordes zijn. Uiteindelijk zijn we allemaal grote wandelende littekens, die boodschap komt luid en duidelijk over. Zelfs David Bowie, getalenteerd, rijk, succesvol en omringd door miljoenen aanbidders die dagelijks zijn voeten zouden willen aflikken, onthult in een interview met Ivo Niehe dat hij zich altijd een buitenstaander heeft gevoeld. En nog. David zucht diep. Ivo knikt intens-meelevend.

De drinkers van Wearing in Middelburg drinken ondertussen alsmaar door. Lopen zwabberend heen en weer van het ene scherm naar het andere terwijl het geluid van hun voetstappen hard door de ruimte van de Vleeshal weergalmt. Voor de variatie stapt een dronkeman af en toe van een scherm af zónder op het volgende te verschijnen. Er is een close-up over drie schermen te zien van een neergezegen zatlap. Er volgen andere verschuivingen in het beeld zonder dat het iets lijkt te voegen aan het kunstwerk. Wat wil Wearing met dit werk eigenlijk zeggen? Het persbericht rept van `een vertekenende spiegel die de kijker een ongewenste kant van zichzelf toont'. De drinkers worden `desperate helden' en `eigentijdse martelaars' genoemd. Maar een stelletje ladderzatte wiebelclowns aanschouwen confronteert je echt niet zomaar met je duistere zijde. Alcoholisme is een naakt feit, geen heldendaad.

Wie een stel verworpenen tot onderwerp neemt van een kunstwerk doet daarmee een appèl op de toeschouwer om zich in hen te verplaatsen. Bij Drunk lukt dat niet. Je staat erbij en kijkt ernaar. De afstand tussen personages en toeschouwer wordt nimmer overbrugd.

In Seul contre tous daarentegen, de speelfilm van de Franse regisseur Gaspar Noé, die de afgelopen weken in de Nederlandse bioscopen vertoond werd, is dat wel gelukt. De film schetst een rauw portret van een werkloze slager die net uit de gevangenis is ontslagen. Zonder werk, geld of menselijke warmte moet hij zich staande zien te houden aan de rand van de samenleving. De hoofdpersoon houdt een zwartgallige monoloog die je de beerput van zijn gedachtenwereld binnenzuigt. Hij vervloekt alles en iedereen, is een bom die door de geringste aanleiding tot ontploffing kan komen, dreiging die de hele film benadrukt wordt door keiharde geluiden als van granaatinslagen. De incest aan het eind van de film, na een mislukte poging van de slager om zijn geestelijk gehandicapte dochter te vermoorden en vervolgens zelfmoord te plegen, voelt hoe erg het ook is, bijna als een happy end aan. Eindelijk rust, warmte, overgave. Door alles door de ogen van de slager te laten zien slaagt Noé waar Wearing ditmaal in faalt: je verplaatst je in iemand die afstotelijk is. De afstand tussen toeschouwer en filmpersonage wordt erdoor overbrugd. En dan werkt een kunstwerk inderdaad als `een vertekenende spiegel die je een ongewenste kant van jezelf toont' en krijgt een vereenzaamde, bloeddorstige, paranoïde slager de stralenkrans van een eigentijdse martelaar.

Eén monster voor allen, alle monsters voor één.

Gillian Wearing, Drunk. 7 november tot 12 december di-zo 13/17 uur, de Vleeshal, Middelburg tel.0118 652200

Catalogus Gillian Wearing, Phaidon Press f 59,90,-

    • Pam Emmerik