Je moet ze zien

Als u van cartoons houdt, verzuim niet The New Yorker van 22 november te kopen, het bijzondere 214 pagina's dikke nummer met, behalve de gewone rubrieken, een handleiding om zelf cartoons te maken en een prijsvraag die bestaat uit een tekening waarbij nog een onderschrift moet worden verzonnen. Wie niet voor het genre gevoelig is, kan het geld beter aan iets anders besteden; wie dit seismograafje in zijn hersens heeft, zal The New Yorker dankbaar zijn. Ik weet dat het niet goed is. Je moet een cartoon zelf zien om te kunnen lachen, maar ik kan het niet laten, toch twee voorbeelden te geven.

Een hond zit in een restaurant, je ziet dat het een keurige hond is, met een brilletje op zijn neus. De ober, ook een hond, met een oberstrikje voor, een hoffelijke glimlach, sleept een oude vuilnisbak achter zich aan, een bak, zo vol dat het deksel niet meer dicht kan. `Onze specialiteit, meneer. Zal ik opdienen of wilt u hem zelf omgooien?'

Een bezorgd kijkende vader en moeder staan op de drempel van de kamer waar hun zoon, een jaar of achttien, op de rand van zijn bed zit. De jongen heeft een kaalgeschoren hoofd, op een staartje na en een laken over een schouder geslagen. Naast hem ligt een tamboerijntje. De vader zegt: `Je moeder en ik willen je alleen maar zeggen dat we voor honderd procent achter je staan als je weer aan de drugs gaat.'

Van alle bladen en blaadjes die zich in cartoons hebben gespecialiseerd, is alleen The New Yorker tijdloos. Hoe lang geleden al is Punch ter ziele gegaan? Simplicissimus verdelgd door de nazi's, na de oorlog gereanimeerd, en nu? Als het nog bestaat, hoor je er niets meer van. Het klassieke vakblad van de Nederlandse humor was De Lach, maar vergeet niet de Okido, De Uitkijk en de Humorist, bijvoegsel van Panorama. Daarna de moedige poging om een Nederlandse New Yorker levensvatbaar te houden, Mandril, met prachtige omslagen, mooi proza en cartoons van Nederlandse tekenaars. Het wilde niet lukken. Ik denk trouwens dat iemand die nu bij een uitgever zou komen met het plan om weer eens zoiets te proberen, nog geen vijf minuten zou worden aangehoord.

Aan de kunstenaars kan het niet liggen. Er zijn genoeg schrijvers en journalisten die een kort verhaal, een biografisch essay kunnen maken. Peter van Straaten is een tekenaar van de hoogste orde, die allang een dienovereenkomstige prijs had moeten krijgen. Als Jaap Vegter in New York woonde, stond hij iedere week in het hier besproken blad. Beiden, ieder op zijn eigen manier, hebben die combinatie van oog en oor voor wat de cartoon en dit soort strip niet kunnen missen. Maar ze staan in gewone kranten, een andere omgeving die bij het Nederlandse publiek past. Een `soort New Yorker' krijgen we nooit.

Hoe komt het dat The New Yorker tot nu toe alles heeft overleefd, financiële nood, wanhoop, verdenkingen van ouderwetsigheid, wisseling van redacties? Misschien doordat het een conservatief blad in een conservatieve stad is. Nergens wordt zo snel geleefd, zo hartstochtelijk vernieuwd als in New York, dat weten we allemaal. Koop The New Yorker, ga in een café, ergens op de zesde of zevende Avenue, Chelsea of de Village, bij het raam zitten, of misschien beter nog, op een bankje in Madison Square Park bij het Flatiron Building, de oudste wolkenkrabber. Lees af en toe, kijk dan weer naar de straat, de drommen voorbijgangers. Het is 1999, het had met een paar geringe veranderingen ook 1930 kunnen zijn, een zwart-wit film. New York en het weekblad dat de naam van de abstracte inwoner draagt, hebben het geheim van het bewaren. Wat dat aangaat is de hedendaagse Nederlandse beschaving veel haastiger, meer met de motoriek van vlooien.

In dit nummer staat een essay van Hendrik Hertzberg. In de cartoons van The New Yorker, schrijft hij, zien we zelden de beroemden en de machtigen – uitgezonderd Petrus en God. Meestal gaat het over de gewonen, bazen en bedienden, kinderen en onderwijzers, veel honden, yuppen, barbezoekers, echtparen, zwervers. Bill Clinton heeft acht keer gefigureerd, waarvan één keer in een cartoon die in eerste instantie werd geweigerd. Twee oude heren praten over politiek. `Actually, I don't think Dole's administration would have been much different from Clinton's – except, of course, for the blow jobs.' Leuk? Je moet de heren ook zien om erover te kunnen oordelen. De cartoon werd geweigerd omdat het bewijs nog niet was geleverd. Zo ver was Kenneth Starr toen nog niet.

De tekenaars van The New Yorker blinken niet uit in de politieke karikatuur, schrijft Hertzberg. Ze hebben iets anders: de blik voor de gezichtsuitdrukking, het talent om die met een minimum aan lijnen vast te leggen en de intuitie voor een tekst die absurd is en meteen begrepen wordt. De kortsluiting. Een oude man staat op de wolken, boven zijn hoofd een stralenkrans, op de achtergrond de Aarde. Hij kijkt wat, ja, ondeugend, zullen we zeggen. `In zes dagen voorelkaar gekregen', zegt hij tegen een devote engel. `Maar ik heb er zeven in rekening gebracht.' Het moet een mooi moment zijn als je zoiets tebinnen schiet. Het is ook een mooi moment als je er heel hard om begint te lachen.

    • H.J.A. Hofland