Indonesië bestaat niet in Atjeh

De chefs van de landmacht en politie willen dat Jakarta de staat van beleg uitroept in vier rebelse regentschappen van de provincie Atjeh. Onder meer in Pidie, al honderd jaar een haard van taai en vroom verzet.

Djakfar Ismail, de regent van Pidie, windt er geen doekjes om: ,,Ik heb er nu vier jaar op zitten en ik heb nog een jaar te gaan. Ik wou dat het al afgelopen was, want je kunt in het Atjeh van vandaag maar beter ambteloos burger zijn.' De regent onthaalt de bezoeker in zijn ambtswoning met open ontvangstruimte (pendopo) op Atjehse hapjes en een glas thee. Sigli, de hoofdplaats van het regentschap Pidie, ligt aan de Straat van Malakka en de zeewind brengt bij vlagen wat verkoeling.

Djakfar neemt een slokje thee en verzucht: ,,Het lijkt hier wel 1945: guerrilla, betogingen, grote deining. De regent moet op eieren lopen. Als ik een werkbezoek afleg in de dorpen, dringen de militairen aan op een escorte, maar dat wil ik niet meer. Jeeps met zwaailicht trekken aandacht en eerlijk gezegd ben ik dan banger dan wanneer ik alleen reis. Ik kom uit het bergdorp Tangse, mijn moeder woont daar nog, maar `de beweging' is er alom tegenwoordig. Als ik haar opzoek, laat ik die jongens dat langs een omweg weten. Halverwege wachten ze me op en begeleiden ze me naar het huis van mijn moeder.'

Djakfar weet uit welke hoek de politieke wind waait. Als de bezoeker afscheid neemt, zegt hij op vertrouwelijke toon: ,,Ik vertegenwoordig hier het centrale gezag, maar het volk wil vrijheid en ik ben toch ook de regent van het volk?'

En wat voor een volk. Pidie hield in de Atjeh-oorlog het langst stand tegen de Nederlandse marechaussee. Het taaiste verzet werd geboden door de in het zwart geklede volgelingen van Syech Saman, Teungku di Tiro. Tiro is een berggehucht halverwege Sigli en Tangse, en teungku is de Atjehse titel voor een religieuze notabele. Saman, asceet, schriftgeleerde en guerrillaleider, schreef in september 1885 een in het Arabisch gestelde brief aan resident Van Langen in Kutaraja (nu Banda Atjeh) waarin hij de Hollanders vrede aanbood, mits zij – het bestuur voorop – overgingen tot de islam.

Luitenant H.J. Schmidt beschrijft in zijn boek `Marechaussee in Atjeh' hoe Saman, zijn vijf zonen en vier kleinzoons allen de dood vonden in de perang sabil (oorlog op Gods weg) tegen Nederland. In december 1911 schoot de Ambonese korporaal Nussy de laatste teungku uit Tiro dood. Cit Ma'at di Tiro was toen vijftien jaar oud. Schmidt: ,,Hij was een vrij blanke jongeman met voornaam uiterlijk. (...) Zijn rechterhand hield nog in den dood de revolver vast. Één der schoten had hem in het hart getroffen, en het was of zijn gebroken oogen nog staarden naar de vrije lucht, boven hem.'

Ruim 60 jaar later werd Pidie opnieuw een haard van verzet, ditmaal tegen het Indonesische gezag. Hier riep Muhammad Hasan, alias Hasan di Tiro, naar eigen zeggen een afstammeling in de vrouwelijke lijn van Saman en diens zoon Cik, op 4 december 1976 de onafhankelijkheid van Atjeh-Sumatra uit. Nadat Di Tiro naar Zweden was gevlucht, bleef het bergachtige achterland van Pidie toevluchtsoord en uitvalsbasis van diens Beweging Vrij Atjeh (GAM), die met wisselend succes een guerrilla voerde tegen het Indonesische leger. Dit jaar ging de GAM opnieuw in het offensief.

In Pidie wappert het Indonesische roodwit alleen nog boven politie- en legerposten langs de Trans-Sumatra route en aan de mast voor Djakfars ambtswoning. De kantoren van alle dorps- en districtshoofden zijn door de GAM onder bedreiging met geweld gesloten. Het leger heeft de desa's prijsgegeven aan `de beweging', die door de bevolking wordt bewonderd en gevreesd. Alleen in Sigli functioneert het openbaar bestuur nog, maar de regent weet dat zich onder de ontspannen keuvelende mannen op het plein voor de pendopo GAM-strijders ophouden.

Voor een vrijgeleide naar het dagelijks verhuizende bivak van het GAM-commando dient men zich te vervoegen bij de moskee van Sigli. Daar kamperen nog een paar honderd vluchtelingen uit het bergdorp Geumpang, dat deze zomer leegliep toen het leger een operatie uitvoerde ,,ter beveiliging van de verkiezingen'. Wie het dorp heeft ontruimd, de Indonesiërs of de GAM, blijft in het midden.

De vluchtelingen worden bijgestaan door Atjehse vrijwilligers onder leiding van Said Rizal, een student aan de zeevaartschool van Medan, en mevrouw ir. Nurtini, een hedendaags evenbeeld van Cut Nya Dien, de legendarische verzetsleidster in de Atjeh-Oorlog. Ze is in de veertig, maar Said vertelt dat ze ,,pas trouwt als Atjeh vrij is'. Gehurkt tussen gesluierde vrouwelijke ontheemden laat ze kleurenfoto's zien van toegetakelde lijken en van manhaftig poserende Indonesische officieren. De moordenaars hebben zich laten vereeuwigen door plaatselijke fotografen en die hebben de negatieven zorgvuldig bewaard. ,,De Javanen zijn erger dan de Kompenie (het Koninklijk Nederlands-Indische Leger)', meent Nurtini.

Mits het bezoek in goed gezelschap verkeert, is de tocht naar het GAM-bivak een fluitje van een cent. Even voorbij het gehucht Lhungputu verlaten we de kustweg en na vier kilometer over een halfverhard pad leggen we aan in een kampong, voor een glas koffie en een durian. Daar stappen twee jongens in die de weg wijzen naar een verlaten schoolgebouw met grasveld. Aan de mast waaraan nog niet zolang geleden iedere morgen het rood-wit werd gehesen terwijl Atjehse schoolkinderen het Indonesia Raya zongen, wappert nu de rode banier met halve maan en sterren van de GAM.

In de deuropening staat, in fris gesteven camouflagepak, een rode baret op het breed lachende hoofd, de Panglima Rayeuk (bevelhebber) van het GAM-leger, Teungku Abdullah Syafei. Hij drukt de verslaggever aan de borst en wijst hem een stoel aan het tafeltje op het podium, voor in het klaslokaal. Twee GAM-soldaten met kalasjnikovs flankeren de leider als hij plaatsneemt achter de leraarstafel. Een zakrecordertje draait mee.

Het is wel erg simpel, Teungku, om uw bivak te bezoeken. Waarom wandelt het leger niet gewoon binnen?

,,Het volk van Atjeh weet wie zijn vriend en wie zijn vijand is. Als het leger komt, verzet het zich, op leven en dood.'

U voelt zich dus niet bedreigd?

,,Wij niet, het volk wel.'

De commandant in Banda Atjeh zegt dat u zich verschuilt achter burgers en dat hij bang is bij een offensief tegen de GAM onschuldige mensen te raken. ,,Hij is een leugenaar, net als alle kolonialisten-imperialisten van Java-Indonesië, van Soekarno tot en met de roverhoofdman Wahid.'

Wahid is een moslim, net als u.

,,Dat is nog maar de vraag. Voor mij is hij een dief van Atjeh.'

De Atjeh-Oorlog die u zegt voort te zetten was toch voorbij toen de sultan aftrad?

,,De sultan is nooit afgetreden.'

In 1945 kozen gezaghebbende Atjehse schriftgeleerden voor de Republiek. Dat is toch een historisch feit?

,,Daar was geen Atjeher bij. Een van hen, Daud Beureueh, was een Chinees.'

Pardon?

,,Jawel, van moederskant had hij Thaise voorouders. En Nederland had de soevereiniteit over Atjeh nooit mogen overdragen aan Java-Indonesië. Indonesië, van Sabang tot Merauke, bestaat niet. Alleen Java, dat de baas speelt, en verder onder meer Atjeh-Sumatra, de Molukken, Celebes en West-Papoea. Ons probleem is voorbij als Nederland zijn oorlogsverklaring van 1873 intrekt en de macht over Atjeh aan ons overdraagt. Dan gaan de Javanen vanzelf weg.'

Werkt u samen met de beweging voor een referendum (SIRA)?

,,De studenten zijn onze kinderen, die in de voetsporen treden van hun heldhaftige voorouders.'

Zijn er tactische afspraken?

,,Ha, dat is een geheim.'

Wanneer komt Hasan di Tiro terug naar Atjeh?

,,De terugkeer van Zijne Koninklijke Hoogheid is nabij.'

Bij het afscheid wil de commandant met de bezoeker op de foto. De chauffeur, half Atjeher, half Javaan, blijkt ook een cameraatje te hebben meegenomen en laat zich portretteren met guerrillastrijders. De tijden zijn onzeker, niemand weet wat de toekomst brengt.

    • Dirk Vlasblom