Het geniep van alledag

Er zijn boeken die je met enige aarzeling ter hand neemt en Volle maan van de Spaanse schrijver Antonio Muñoz Molina is er één van. Terwijl in België de portretten van Julie en Mélissa, slachtoffers van Dutroux, nog altijd achter de vensters prijken en Nederland alweer met nieuwe gruwelen is geconfronteerd, komt een roman over kinderverkrachting en -moord de werkelijkheid dichter nabij dan de gemoedsrust lief is. De gedachte dat het `maar' literatuur is verliest op dat moment gevoelig aan kracht.

Maar wie aan Volle maan begint, legt het boek niet gemakkelijk meer terzijde. Niet dat Muñoz Molina de lezer veel bespaart. De details van de lustmoord op de prille Fátima, worden bij kleine beetjes maar met ijselijke precisie uiteengezet. Dat de met het onderzoek belaste inspecteur daardoor in zijn dromen wordt geplaagd, wil de lezer dan ook graag geloven. En wat de eerste niet meer loslaat, houdt ook de tweede aan het lezen: de wil om het raadsel opgelost te zien. Daarbij gaat het voor de lezer al snel niet meer om de vraag wie de moord gepleegd heeft – het antwoord daarop geeft Muñoz Molina al na 120 bladzijden – maar hoe het mogelijk is dat iemand zoiets heeft willen doen.

Het afschrikwekkende zo uit te beelden dat we het accepteren als iets dat tot het leven behoort, is al sinds jaar en dag een van de belangrijkste opdrachten van de literatuur en waarschijnlijk van de meeste kunsten. Dat leidt niet per se tot een verzoening, laat staan een instemming, maar wel tot een zekere verdraagzaamheid jegens het onverteerbare, dat er nu eenmaal altijd zal zijn. Het intellectuele middel daartoe is inzicht, waardoor we de onoverkomelijkheid ervan begrijpen.

Maar inzicht alleen volstaat meestal niet. Er is een extra verleidingskracht nodig om de lezer bij de tekst te houden en daar komt de kunst in het spel. Zij bewerkt een soort betovering waardoor de pijntolerantie bij de lezer na een tijdje onwillekeurig versoepeld blijkt te zijn. Hij heeft de confrontatie met de verschrikking uitgehouden daarmee ontdekt hij dat ze inderdaad uit te houden valt. De gruwzaamheid waarbij het verstand stilstaat is niet langer het einde van de wereld.

Zo werkt ook Volle maan, dankzij het weergaloze vertellersvernuft waarover Muñoz Molina beschikt. Dat meesterschap hoefde hij na zijn omvangrijke roman Ruiter in de storm en het kleine meesterwerk Winter in Lissabon niet meer te bewijzen. Het stond al vast toen hij in 1986 met zijn (nog altijd niet vertaalde) roman Beatus ille de Spaanse letteren binnenviel als een in één keer volgroeid auteur. Meer dan bij welke andere Spaanse schrijver van dit moment ook gaat woordkunst bij Muñoz Molina gepaard met een uitdrukkelijke morele bekommernis, en daarmee beantwoordt zijn oeuvre op voorbeeldige wijze aan wat literatuur zou moeten zijn.

Volle maan is gesitueerd in een naamloos stadje in Andalusië, waarin zonder veel moeite het Mágina uit andere romans van Muñoz Molina te ontdekken valt – op zijn beurt gemodelleerd naar op het echt bestaande Úbeda, waaruit de schrijver afkomstig is. In dit stadje is de politieman die de moord op Fátima moet zien op te lossen een recent uit Baskenland overgeplaatste inspecteur die met zijn op de noordelijke motregen berekende kleding ongewild opvalt. Ongewild, want nog altijd wordt hij geplaagd door de angst voor een aanslag van de ETA en het geniepig alledaags terrorisme dat zijn vrouw tenslotte in een inrichting heeft gebracht.

De inspecteur – wiens naam nergens in het boek valt – is geen gelukkig mens. Vastgelopen in zijn huwelijk, dat door zijn alcoholisme ontaardde in de liefdeloze onverschilligheid waarin het leven binnenskamers zich van zijn wreedste kant kan laten zien, is er bij hem nog maar weinig over van vertrouwen, gevoeligheid en zelfrespect. Twee dingen slingeren hem – sinds kort van de drank verlost – uit die impasse weg: de dood van Fátima en een liefdesrelatie met haar schooljuffrouw. Dat is een uitzichtloze relatie, en ze is schuldig, want op hetzelfde moment telt de inspecteur, zij het met tegenzin, de dagen af dat zijn eigen vrouw zal terugkeren. Zijn verliefdheid, die zijn redding zou kunnen zijn, is tegelijk zijn ondergang. Aan het slot van het boek bezegelt ze zijn levenslot, wanneer de boven hem hangende ETA-doem tenslotte werkelijkheid wordt.

Daarmee grijpen twee tragedies in elkaar. Want de inspecteur is niet alleen schuldig in de liefde, maar ook in de politiek. Muñoz Molina laat hoogstens vaag doorschemeren wat hij als politieman in Baskenland heeft uitgespookt, maar we hoeven ons er geen illusies over te maken. Groter nog is zijn erfschuld jegens de man die hij van tijd tot tijd opzoekt om zijn radeloosheid op te biechten: een oude jezuïet die ooit zijn leraar was. Hij is een `rode pater': arbeider-priester in de jaren vijftig en daarna een prediker van bevrijdingstheologie en christelijk marxisme onder zijn leerlingen. Daaronder was ook de inspecteur, een van de arme leerlingen van de school die dankzij een beurs toch nog kon studeren. Maar hij verried zijn leraar als informant aan de politie van Franco.

Na zoveel jaren biecht de inspecteur dat aan de pater op. Maar ook de laatste is niet wat hij lijkt. Als telg uit een vooraanstaande familie streed hij in Franco's opstandelingenleger, en hij deed dat, zoals hij bekent, niet gedwongen maar met graagte en overtuiging. En was hij in zijn latere leven werkelijk veel veranderd? De overtuigingen veranderden, maar de hardheid bleef. Het schoolregime was onverbiddelijk, net als de zekerheden die er werden gepreekt. Ook al lijkt de pater daarbij minder aan zijn politieke dan aan zijn religieuze dogmatiek te denken, schuldig weet hij zich wel.

Die twee dubbelzinnige figuren zijn de meest intrigerende in Volle maan en hun verwikkeling van schuld en boete overschaduwt in zekere zin het detective-achtige plot. Niet dat Muñoz Molina de verschillende verhaallijnen niet goed bijeen weet te houden. Een scène waarin Fátima's moordenaar op het punt staat bij de pater te biecht te gaan, niet uit berouw maar uit machtsgevoel omdat hij weet door het biechtgeheim onkwetsbaar te zijn, vormt een hoogtepunt van suspense. En het levensverhaal dat de schooljuffrouw de inspecteur vertelt – over haar mislukte huwelijk, haar ontberingen en de vreugde die haar zoon haar gaf – laat Muñoz Molina met meesterlijke bitterheid uitlopen op haar klacht dat de jongen zojuist besloten heeft bij zijn vader beter af te zijn.

Maar desondanks krijgt Susana Grey niet het reliëf van de inspecteur of de pater, zoals ook Fátima's moordenaar vlak blijft. De een ontbreekt het aan schuld, de ander is er zozeer mee beladen dat ook hij een eendimensionale figuur wordt. In de weerzinwekkende monologen waarmee Muñoz Molina hem opvoert is alles duister, gemeen en goor.

Daarmee maakt Muñoz Molina het zich wat te gemakkelijk, net als met zijn onthulling van de sadistische beweegredenen van de moordenaar: de schaamte over een klein uitgevallen pikkie. Psychologie van de koude grond, die er niet beter op wordt doordat Muñoz Molina hem ook nog eens opvoert als een maanzieke: een kunstgreep die hij nodig heeft om zijn speurdersgeschiedenis tenslotte rond te krijgen. Een slecht sluitend plot is wel vaker het probleem bij Muñoz Molina, net als bij veel van zijn Spaanse generatiegenoten.

Volle maan geeft uiteindelijk dus maar half wat het belooft. Het maakt het onverdraaglijke, dat de lezer in het begin zo vreest, draaglijk door er de aandacht van af te leiden, niet door het te ontrafelen. In de confrontatie tussen de inspecteur en de pater investeert Muñoz Molina zijn psychologische vernuft, maar de eigenlijke verschrikking blijft steken in een weinig subtiel manicheïsme van goed en kwaad. Dat het boek toch niet teleurstelt, is niet alleen te danken aan het geraffineerde vakmanschap en de vertelkunst van de schrijver maar ook aan de urgentie en de inzet waarmee hij schrijft. Zelfs een verhaal waarvan het plot maar voor de helft geslaagd is en slechts enkele figuren ten volle geloofwaardig zijn, is bij Muñoz Molina nog altijd ruimschoots de moeite waard.

\Antonio Munoz Molina: Volle maan (Plenilunio). Uit het Spaans vertaald door Ester van Buuren.De Geus, 415 blz. ƒ49,90

    • Ger Groot