Heimwee is eeuwig

Rob Nieuwenhuys en Rudy Kousbroek werden verbonden door de liefde voor het land van hun jeugd. Wat hen scheidde ligt ingewikkelder.

De laatste keer dat ik Rob Nieuwenhuys zag was een paar maanden geleden. Niet lang daarvoor was hij 91 jaar geworden en die hoge leeftijd droeg hij als een koning. Ik was in gezelschap van de Indische schrijfster Paula Gomes: we spraken over het onuitputtelijke onderwerp Indië, na een paar uur waren wij moe maar hij zag er uit of hij nog wel uren door had kunnen gaan. En nu is hij er dus niet meer, hij stierf op 7 November.

Waar en wanneer ik Rob Nieuwenhuys voor het eerst heb ontmoet weet ik niet meer; ik woonde nog in Frankrijk en over de jaren hebben we ook menige brief gewisseld. Over sommige belangrijke zaken waren we het totaal oneens; dat gaf wel een verwijdering maar we zijn nooit echt vijanden geweest; wat ons bond was de liefde voor het land van onze jeugd.

Wat ons scheidde is niet zo gemakkelijk te omschrijven; misschien is het de moeite waard om hier te proberen een paar van de onderwerpen te beschrijven waarover wij van mening verschilden en in de loop der jaren hebben gedebatteerd – soms binnenskamers en soms in geschrifte.

Eén van die onderwerpen was het begrip nostalgie. Nieuwenhuys wilde niet nostalgisch worden genoemd, hij maakte daar altijd bezwaar tegen. Het is of nostalgie voor hem iets onwaardigs was, een toegeven aan zwakheid.

En dat voor degene die misschien wel de drie meest nostalgische boeken van de Nederlandse literatuur op zijn naam heeft staan. Ik bedoel natuurlijk de drie schitterende fotoboeken Baren en oudgasten, Komen en blijven en Met vreemde ogen. Het zou mij niet verwonderen als die van al zijn boeken het langst in druk blijven; dat is als gevolg van een wonderlijke paradox: nostalgie veroudert niet. Heimwee naar iets dat niet meer bestaat is eeuwig en van alle tijden, het wordt ook door mensen die dat iets nooit gekend hebben onmiddellijk begrepen. Vandaar dat die boeken ook een grote aantrekkingskracht uitoefenen op mensen die geen enkele relatie met Indië hebben.

De nostalgie van Rob Nieuwenhuys, dat is het merkwaardige, is eigenlijk typisch Indisch en het verwerpen ervan juist Europees. Het belijden en cultiveren van nostalgische gevoelens is een oude traditie in de Aziatische wereld, maar in het Westen wordt het vaak verketterd, voornamelijk door mensen die bang zijn voor ouderwets of reactionair te worden aangezien. Iemand die zo graag kijkt naar die beelden van tempo doeloe moet wel een verstokte koloniaal zijn. In feite volgt dat er niet uit, zomin als uit liefde voor de Matthäuspassion volgt dat iemand gelovig is. Niet lang geleden benadrukte Rob Nieuwenhuys nog eens dat hij niet in Indonesië zou willen wonen; ik denk dat dat bedoeld was voor de vele mensen die denken dat je dat wilt als je je met enige emotie over het vroegere Indië hebt uitgelaten.

Het vreemde is dat andere verschillen van mening met hem juist leken te berusten op het omgekeerde, namelijk dat hij soms `Indische' standpunten kon belijden die in mijn ogen kunstmatig waren. Een voorbeeld was onze discussie in de jaren tachtig over de rampok matjan, een ritueel Javaans volksvermaak waarin panters en tijgers werden doodgemarteld. Dit gebruik is door de Hollanders in Indië uitvoerig bestudeerd en beschreven; zij vonden het een `wreed schouwspel' en Rob verklaarde dat uit het onvermogen zich in te leven in het rituele en het sacrale. De Hollander bleef een `buitenstaander die er alleen maar tegenaan kijkt'. Ik probeer het zo onpartijdig mogelijk te beschrijven, maar waar ik vooral op reageerde was het in mijn ogen onterechte verwijt van botheid en schijnheiligheid tegenover het rituele en het sacrale. Rob ging uit van de volgens mij onjuiste premisse dat het begrijpen van de achtergronden ook goedkeuring impliceert, en wie het niet goedkeurt heeft het dus niet begrepen: als die botte Hollanders maar inzagen dat de tijger voor de Indonesiërs het kwaad vertegenwoordigde dan zouden ze ook geen bezwaren tegen de rampok matjan meer hebben.

Sacrale

Een soortgelijke overweging speelde ook een rol in de kwestie die Rob `de mythe van Lebak' heeft genoemd. Wat ons alleen al verdeelde was dat hij niet zo van Multatuli hield, maar hij meende vooral dat de fameuze beschuldigingen van Douwes Dekker aan het adres van regent Adipati Karta Negara berustten op het feit dat hij de zaak vanuit een Westers inplaats van Javaans standpunt beschouwde, dus zonder inzicht in `de Adat en het diep-Javaanse respect voor het sacrale'. Mijn standpunt was (en is nog steeds) dat samenlevingen mythes of ideologieën voortbrengen die er op gericht zijn de macht van de bovenlaag te beschermen door haar voor te stellen als een onderdeel van een sacrale orde, die niet verstoord mag worden. Maar iemand die van buitenaf komt ziet geen sacrale orde maar de werkelijkheid, dat wil zeggen knevelarij en onrecht.

Zo was het ook met Douwes Dekker, en voor die redeneringen over het sacrale en de Javanen die zich zo dankbaar lieten afpersen sta ik nog steeds niet open, maar ik denk achteraf wel dat Rob gelijk had dat Douwes Dekker onbesuisd en arrogant heeft gehandeld, en meer had kunnen bereiken door dat na te laten: zoals Rob schreef: `[...] zijn visie was veel te simplistisch, ze kon geen aanknopingspunten vinden bij de werkelijkheid; ze werkte gewoon niet. Hij heeft de weerstanden verkeerd beoordeeld; ze waren van geheel andere aard dan hij dacht'.

Ik heb hem, nu ook alweer jaren geleden, ook wel verteld dat hij me wat dit betreft bekeerd had, maar hij zei alleen maar dat we er toch in elk geval de roman Max Havelaar aan dankten. Ik herinner me dat zijn reactie me eigenlijk een beetje teleurstelde. Aan de andere kant heb ik hem ook niet bedankt toen hij mij eens met enige schroom liet weten dat hij het achteraf toch wel met mij eens was over de Japanse kampen. Misschien dachten we allebei wel: too little and too late, maar het is ook waar dat we er ons geen van beiden meer zo druk om maakten. `Schenk maar eens wat in uit de fles die daar in de kast staat,' zei hij dan, zonder op te staan, en begon aan een of ander verhaal over vroeger.

Een keer had ik een boek voor hem meegebracht dat niet in De Oost-Indische Spiegel voorkwam, een heel merkwaardig boek uit 1918, van een zekere Francisco José, getiteld Van verre stranden, waar een ongelofelijke monoloog in voorkomt over het wezen en lot van de Indo. Hij kende het niet en ik las het hem voor. Zo, geholpen door de alcohol, eindigde de middag in tranen.

Rob had gelijk dat Douwes Dekker onbesuisd en arrogant heeft gehandeld

    • Rudy Kousbroek