De grootmeester van het leine

Simon Carmiggelt schiep een melancholieke wereld van mensen met te hoge verwachtingen van het leven. Hij werd er immens populair door. Maar is hij ook zelf onderhevig aan de vergetelheid?

Oktober en november. Alles in zijn leven lijkt gebukt te gaan onder een herfstige doem. Men associeert hem met bruine kroegen, waar vermoeide mannen in de herfst van hun leven in hun kelkje staren, uitgebloeide echtparen zwijgend aan een tafeltje zitten, naast diep in hun kraag gedoken passanten. Hij schiep een wereld met berustende, of hoogstens tevergeefs opstandige, lieden. En zelfs als het eens voorjaar is en hij een verliefd stel beschrijft, of pril kindergeluk, dan nog voel je dat het ook dáár najaar zal worden.

Wat dat betreft heeft Simon Carmiggelt met de pen een even herfstig Amsterdam geschapen als George Breitner met verf en penseel. Hij werd geboren in oktober en stierf in november. In de tussentijd leefde hij 74 jaar en schreef hij onder het pseudoniem `Kronkel' negenduizend krantenstukjes, die ruim drie decennia lang een bekend Amsterdams, zo niet Nederlands verschijnsel zijn geweest. De jaarlijkse selectie uit die stukjes waren steevast bestsellers en haalden oplagen van 100.000 tot 150.000 exemplaren. In 1973 was Carmiggelt de populairste schrijver van Nederland; in 1977 ontving hij de P.C. Hooftprijs.

In oktober 1983 verscheen de laatste Kronkel, in oktober 1988 werd een standbeeld van de schrijver onthuld en nu, elf jaar later en opnieuw in november, verschijnt de eerste grote biografie: Carmiggelt. Het levensverhaal door de journalist Henk van Gelder.

Simon Johannes Carmiggelt werd in 1913 in Den Haag geboren als zoon van een vertegenwoordiger in vleeswaren die de sociaal-democratische beginselen was toegedaan, maar er maar half in geloofde. Te cynisch. De moeder moet een energieke tante zijn geweest. Anders dan zijn drie jaar oudere broer Jan vlotte het met Simon op school niet erg. Via wat omwegen belandde hij in de journalistiek, een vak dat hij zijn leven lang trouw zou blijven. Hij begon bij Vooruit, de Haagse editie van de sociaal-democratische krant Het Volk, en kwam daar te werken op de kunstredactie. Het moet een zorgeloos milieu zijn geweest: een wereld van journalisten, literatoren, acteurs en uitgevers die elkaar thuis en vooral in de kroeg ontmoetten. Dan volgt de oorlog, waarin zijn broer Jan in Duitse gevangenschap overlijdt, Carmiggelts deelname aan de verzetskrant Het Parool, de bevrijding, de verhuizing naar Amsterdam, de bohémienachtige scene daar, de rubriek Kronkel die in 1946 begint, zijn optreden in het land en later op de televisie, waardoor zijn ster begint te rijzen. De biografie van Van Gelder geeft het beeld van de man die even regelmatig schreef als dronk. Er is vrijwel geen bladzijde te vinden waarop het woord `drank' ontbreekt. Het boek is doordrenkt van jenever.

Lijzige stem

Op 8 oktober 1983 verscheen de laatste Kronkel in Het Parool. De frequentie was al enige tijd afgenomen, maar toen, een dag na de zeventigste verjaardag van Carmiggelt, werd er een streep onder gezet. Sindsdien is zijn ster gestaag gedaald. Weliswaar herdrukt de Arbeiderspers Carmiggelts bundels in gebonden deeltjes en is er een fanclub actief, met een eigen mededelingenblad, maar populair is hij niet meer. In zijn epiloog signaleert Henk van Gelder summier de teloorgang van de Kronkel-populariteit. Hij noemt daarvoor twee oorzaken. Carmiggelts personages, met hun onvervulde verlangens, sluiten minder goed aan bij de tijdgeest, `die juist gericht is op de snelle vervulling'. Zijn stijlfiguren, met de vaak archaïsche zinswendingen, zijn bovendien zo vaak geïmiteerd dat niemand ze meer herkent als typisch voor Carmiggelt.

Er zijn andere verklaringen aan toe te voegen. Ten eerste is de schrijver zelf letterlijk uit beeld verdwenen. De laatste goede Kronkels verschenen eind jaren zeventig; wie na 1968 geboren is en op zijn twaalfde Het Parool begon te lezen kent de dagelijkse Kronkel al niet meer. Lezingen gaf Carmiggelt nog maar zelden, zijn hoofd verdween van de televisie. De `uitvoerende humorist' raakte uit zicht. Dat is het lot van elke cabaretier, maar ook van de leuke oom op de verjaardag, de moppentapper in de kroeg. Ooit was het noemen van hun naam al aanleiding voor een lachstuip of, wat zuiniger, een glimlach. Maar wanneer de herinnering aan de persoon verflauwt, en aan zijn referentiekader, de actualiteit, de codes, dan verdampt ook zijn humor. Wie de ambiance, de motoriek, de dictie, de mimiek van Carmiggelt niet kent, maar alleen de teksten leest, mist de helft, zo niet meer, van zijn aantrekkingskracht. Wie nooit gevoelig was voor die lijzige stem, dat gerimpelde treurhoofd en die magere gestalte in een regenjas, stappend door een rafelig Amsterdam, die was per definitie al minder vatbaar. Hetzelfde lot trof Carmiggelts leeftijdgenoten Godfried Bomans en Toon Hermans, en het zal ook performers als Kees van Kooten, Freek de Jonge en Youp van 't Hek treffen. Allen auteurs van uiterst succesvolle boekjes.

Wanneer de performer is verdwenen, dan hebben we de tekst nog. Ligt daar nóg een verklaring voor de verminderde Kronkelgevoeligheid? Henk van Gelder wijst in zijn biografie al op het archaïsche taalgebruik, het ambtelijk jargon, toegepast op triviale onderwerpen, en op de vele imitaties daarvan. Daarnaast hebben we nog het inhoudelijke aspect. Ooit heeft Simon Carmiggelt besloten om de verliezer tot zijn held te maken. Verliezers die ooit begonnen zijn met te grote verwachtingen. De mensen die pech hebben gehad. Carmiggelt typeerde hen trefzeker met grote aandacht voor hun uiterlijk, hun motoriek en vooral hun taal, terwijl ze op een bankje in het park zitten, aan de toog hangen of bij de haringkar staan, wachtend op het moment dat het geluk misschien nog een halve minuut voor hen over zal hebben. Zulke losers, daar is men in onze tijd niet happig op. Wij leven in een tijd van winners. Wie nu maatschappelijk de klos is, zit in een kaartenbak en heet `kansarm'; hij zit in een netwerk van arbeidsbureaus, buurtwerkers en aanspreekpunten en krijgt geïnstitutionaliseerde aandacht.

Carmiggelts wereld ademde nog iets van onschuld. Het werkelijke kwaad stak in de Tweede Wereldoorlog, daarmee vergeleken was alle narigheid van zijn personages kinderspel. De jaren tachtig en negentig zijn harder, sneller en cynischer. Dankzij het marktdenken krijgen de maatschappelijke verliezers per definitie de schuld van hun mislukking.

Mislukking is, kortom, geen populair thema meer. Niemand wil dat meer lezen. Carmiggelt heeft gezorgd voor de opwaardering van de bruine kroeg, maar zijn helden zijn eruit verdwenen. De bruine kroegen van vandaag de dag zijn geen toevluchtsoorden meer van verliezers, maar vakkundig verbouwde en met het nodige koper- en spiegelwerk ingerichte instellingen die in elke toeristische gids van Amsterdam staan. De eigenaar is niet de inwonende kastelein die zwijgend de tap bestiert, maar een snelle jongen, die als het rendement niet wordt gehaald, binnen een maand de zaak vertimmert tot een shoarmatent. In die kroegen werken werkstudenten, die slagvaardige types bedienen met in de ene hand hun bierglas en in de andere hun gsm. De kleine, mislukte man is buiten beeld geraakt. De bankjes in het park worden bevolkt door onverstaanbare stadsnomaden, met junks kun je geen aardige gesprekken voeren; haringkarren worden weggesaneerd.

Bedaard ritme

En dan is er nog het tempo. In het werk van Kronkel heeft nooit iemand haast. De titels van zijn bundels wijzen ook op het bedaarde ritme, op berusting; Slenteren, Schemeren, Ze doen maar of Ik mag niet mopperen. Niet direct titels die aansluiten bij de dynamiek van het IT-tijdperk.

Brokstukken uit het leven van Carmiggelt zijn eerder gepubliceerd, vooral in interviews. Henk van Gelder vertelt die levensloop gedetailleerder dan voorheen is gedaan en trekt de lijn door tot het einde, waarover minder bekend was en waarvan de verhouding met Renate Rubinstein postuum het meest spraakmakende element is geweest. Hij legt daarbij een accent dat het hele boek door speelt: de dood van de broer, de begaafde oogappel van zijn vader, die toen hij het bericht van de dood kreeg, geroepen zou hebben `de verkeerde is dood gegaan'. Dat zou het onherstelbare trauma zijn geweest in Carmiggelts leven. Het verklaart de obsessie met vergeefsheid, hang naar vergetelheid en ook de drankzucht. Hij leefde in de schaduw van zijn dode broer.

Goed duidelijk maakt de biograaf ook hoe Carmiggelt het beeld van zichzelf cultiveerde en hoe dat afweek van zijn echte leven. De lezers kregen in de Kronkels een innemende solide huisvader en later grootvader voorgeschoteld, een trouwe echtgenoot die samenleeft met een brave vrouw, met wie voornamelijk gekibbeld wordt. In werkelijkheid moet Carmiggelt een afstandelijke man zijn geweest, gesloten, soms opvliegend en tot op middelbare leeftijd het middelpunt van feesten en partijen in zijn huis. Later werd de alcohol een psychisch en fysiek probleem en lagen de depressies steeds vaker op de loer. En terwijl hijzelf noodgedwongen stopte met drinken, raakte zijn vrouw aan de sherry. Het huwelijk raakte in een sleur. De verhouding met Renate Rubinstein bleef natuurlijk geheel buiten het publieke beeld; zelfs de meest intieme vrienden wisten van niets.

Henk van Gelder heeft een boek geschreven dat prettig leest en overzichtelijk chronologisch in elkaar zit. Het is met toewijding en liefde voor de hoofdfiguur geschreven. Maar een naar compleetheid strevende biografie is het niet geworden: vooral de maatschappelijke context en het werk zelf zijn onderbelicht gebleven. Dat ligt aan de methode die Van Gelder heeft gehanteerd en het gebruikte bronnenmateriaal. Van Gelder baseert zich op drie soorten bronnen: de artikelen van Carmiggelt, interviews met de schrijver zelf en eigen vraaggesprekken met diens vrienden en verwanten. Anders gezegd: op literatuur en op herinnering. Dat zijn niet de meest objectieve bronnen.

Het zijn ook bronnen met een bij uitstek anekdotisch gehalte. Nu heeft de biograaf volgens zijn nawoord alleen die gegevens gebruikt die uit meer dan één bron stammen, maar toch blijft dit materiaal eenzijdig. En geregeld lijkt alleen al het beschikbaar zijn van een geverifieerd verhaal reden zijn geweest het op te nemen, zonder dat daartoe direct de noodzaak bestaat. Hoe waar het ook mag zijn dat Simon en zijn Tiny in de zomer van 1948 naar Florence waren gereisd en Tiny met het schaarse geld daar een jurkje aanschafte waar ze direct spijt van kreeg, het voegt weinig toe. In zulke gevallen ontbreekt de hiërarchie tussen hoofd- en bijzaak. Het is alsof de auteur zo verheugd is dat er een `waar feit' boven tafel is gekomen, dat hij het zonde vindt dat niet te gebruiken.

Daar komt bij dat er niet is gekozen voor een duidelijke invalshoek of vraagstelling die het onderzoek richting had kunnen geven. Het enige leidende principe is de chronologie; per jaar wordt verwerkt wat er aan materiaal voorhanden was. Men krijgt dus eerder een kroniek dan een boek waarin de man en zijn werk in hun tijd worden geplaatst en worden verklaard. Het boek bevat te veel petite histoire en te weinig analyse. Ik had graag meer willen lezen over de invloed van Carmiggelts directe voorbeelden, zoals Herman Heijermans en Kurt Tucholsky en ik had ook wel een poging tot verklaring willen zien van zijn populariteit en hoe die samenhing met de maatschappelijke omstandigheden van herrijzend Nederland. Dat alles neemt uiteindelijk niet weg dat Carmiggelt een sympathiek en ook tragisch portret is geworden.

Mededogen

Carmiggelt heeft een genre tot leven gebracht. Geen land waar zoveel columnisten per krant wonen als Nederland. Hij heeft als voorbeeld gediend voor velen die je tot het genre der `stadsslenteraars' moet rekenen. In de eerste plaats in zijn eigen krant, Het Parool: Ischa Meijer, Theodor Holman, en nu Martin Bril. Zijn meest directe efgenaam is de tekenaar Peter van Straaten, die lange tijd Carmiggelt heeft geïllustreerd en in tekst en beeld nog steeds haarscherp de tragiek van de niet-ingeloste verwachting weet weer te geven. Samuel Montag, in deze krant, is zeker geen erfgenaam van Kronkel, en zal daar ook niet mee in verband gebracht willen worden, maar hij deelt met hem wel de observaties op straat, de gesprekken die aanleiding geven tot een overpeinzing. Maar Montag is constructief, hij overpeinst, formuleert wat er aan de hand is en ontwikkelt langs rationele weg een theorie. Hij overwint de wereld en gaat er niet aan ten onder; hij is een winner.

Maar blijft er verder niets over van die negenduizend stukjes?

Toch wel. De canonisering wordt alleen niet bereikt door de uitgave van het verzameld werk van Carmiggelt, waar wel eens aan gedacht wordt, en ook niet door de heruitgave van al zijn bundels. Eerder zou er een ijzersterke selectie samengesteld moeten worden met het beste uit Kronkel. Dat moeten de stukjes zijn met een niet tijdgebonden karakter, die niet te archaïsch of te bloemrijk zijn van stijl, en waarin zijn sterkste kant aanwezig is: een economische schrijfstijl, waarmee hij personages kon typeren, stukjes met minimalistische dialogen, waaruit een heel mensenleven spreekt. De tragiek van het kleine: mededogen als engagement. Dat zijn universele thema's en niet alleen omdat het elk jaar weer herfst wordt. Zo'n bundel zal honderd, misschien vijftig stukjes bevatten. Maar hij zal de tand des tijds kunnen weerstaan. Dat is een rijke oogst voor iemand die zich altijd gewoon is blijven beschouwen als journalist, als `stukkiesschrijver'.

Het redactiesecretariaat van het `Carmiggelt Nieuwtjes Bulletin' is gevestigd in de Hamontstraat 38, 1066 NB Amsterdam.

Henk van Gelder: Carmiggelt.

Het levensverhaal. Nijgh & van Ditmar,

379 blz. ƒ75,-

    • Roelof van Gelder