Caraïbisch huwelijk zonder hartstocht

De Nederlandse frustraties omtrent het `Antillendossier' hebben langzamerhand fikse proporties aangenomen. Er is in de afgelopen decennia dan ook wel heel veel misgegroeid op de eilanden en in hun verhouding tot Nederland. Nadat Aruba losbrak van de Nederlandse Antillen – maar uitdrukkelijk niet uit het Koninkrijk – bleek het resterende verband van vijf eilanden een vrijwel onbestuurbare constructie.

Eilandsbelang krijgt voortdurend de voorrang boven het belang van een `land' dat niet als zodanig leeft; en na Aruba zet nu Sint-Maarten alles op alles om onder `het Curaçaose juk' weg te komen. Terwijl Aruba zijn financiën opmerkelijk goed op orde heeft gekregen, zakken de Antillen steeds verder weg in een diepe economische crisis. Een volkomen faillissement van de centrale overheid is niet denkbeeldig. Op het belangrijkste eiland, Curaçao, beheersen thema's als criminaliteit, armoede, crisis in het onderwijs en algehele uitzichtloosheid het publieke debat, terwijl het vertrouwen in de lokale politiek taant.

Dat vertaalt zich onder meer in een exodus naar Nederland: er leven nu zo'n 90.000 Curaçaoenaars in Nederland, tegen nog geen 150.000 op het eiland. Dit alles is in de Haagse politiek zwaarder gaan drukken, naar mate duidelijker werd dat de Antillen noch Aruba zich zouden laten verleiden om net als Suriname het `geschenk' van de onafhankelijkheid te aanvaarden. Hun problemen zijn daarmee ook de onze, blijvend. Geen wonder dat de Haagse bemoeienissen met de zaken overzee in het afgelopen decennium steeds intensiever werden. De resultaten van dat beleid zijn echter mager, alle deskundigheid en de ruime financiële middelen ten spijt. En inmiddels heeft de `terugkeer' van Nederland op de eilanden veel argwaan gewekt en tegenwerking in de lokale politiek opgeleverd. Frustraties alom dus.

Doodlopende weg

In de jaren negentig ging Nederland zich uitdrukkelijk bemoeien met de deugdelijkheid van het bestuur en met staatkundige kwesties (de relaties van de eilanden onderling en met Nederland). De betrokkenheid met de economische ontwikkeling van eilanden gaat veel verder terug.

In de afgelopen drie decennia ontvingen de Antillen en Aruba zo'n vier miljard gulden aan Haagse ontwikkelingshulp; met de huidige ondersteuning, meer dan 1.000 gulden per hoofd van de bevolking per jaar, behoren de Antillen tot de ruimst ondersteunde landen ter wereld. Het resultaat van dit alles, becijfert econoom Edo Haan, is echter bedroevend. De eilanden zijn volstrekt verslaafd geraakt aan de ontwikkelingshulp; tegelijkertijd heeft die hulp het hun mogelijk gemaakt om door te modderen op de doodlopende weg van een protectionistisch economisch beleid. Dat laatste, en niet de omvang van de hulp op zich, is het meest verontrustende. In het tot nog toe gevoerde beleid werden – door het ene kabinet wat meer dan het andere – de machtige vakbonden te vriend gehouden, nam de omvang (maar niet de productiviteit) van de overheid almaar toe, en werd het lokale bedrijfsleven afgeschermd van externe prikkels. Haans recept is duidelijk: volstrekte liberalisering van de economie, het opengooien van alle in de afgelopen decennia door de Antilliaanse politiek opgebouwde `defensieve instituties'.

Een zwaar medicijn, geeft hij wel aan, maar een noodzakelijke opmaat naar economisch herstel. Als lichtend voorbeeld brengt hij twee andere kleine Caraïbische eilanden voor het voetlicht: de voormalige Britse kolonie Barbados, maar ook Aruba. Beide óók voornamelijk afhankelijk van dienstverlening en in het bijzonder toerisme, maar inmiddels, dankzij rigoureuze liberalisering, met een aanmerkelijk gezondere economische basis. Nu de Antillen nog, is de moraal van zijn verhaal.

De huidige Antilliaanse regering is echter niet geneigd Haans heldere analyse en receptuur over te nemen. Pijnlijke maatregelen worden steeds weer vooruitgeschoven, en de teneur is dat het rijke Nederland best wat meer kan bijspringen. Het is al te gemakkelijk dit alles te wijten aan incompetent bestuur overzee. Het grote probleem voor Antilliaanse bestuurders is dat voor het nemen van ingrijpende maatregelen nauwelijks een maatschappelijk of politiek draagvlak te vinden is. Samenwerking, solidariteit en de bereidheid onderling tot compromissen te komen zijn geen in het oog springende kenmerken van de Antilliaanse politiek. Geen Caraïbisch poldermodel hier, maar eerder een systeem van afschuiven, waarbij degene die harde maatregelen voorstelt al snel buitenspel wordt gezet – bij voorkeur, zoals de vorige premier Pourier overkwam, met het vernietigende commentaar dat hij onder de plak zit bij de makambas, de Nederlanders.

Het vinden van voldoende politiek draagvlak voor het nemen van ingrijpende maatregelen wordt niet alleen bemoeilijkt door partijpolitieke tegenstellingen op elk van de eilanden. Funest zijn ook de tegenstellingen tussen de eilanden onderling, elk met hun eigen eilandsbestuur, en het formeel overkoepelende `land' van de Nederlandse Antillen, met zijn regering waarin Curaçaose bestuurders worden geacht óók over het landelijke belang te waken, terwijl de vertegenwoordigers van de kleinere eilanden voornamelijk oog hebben voor hun lokale belangen. In Koninkrijk aan zee besteedt Theo Korthals Altes veel aandacht aan de verlammende werking van deze constructie. Centraal staat echter het voortdurende ontbreken van begrip en vertrouwen tussen de bestuurders aan weerszijden van de oceaan.

Onthullende kijkjes

Korthals Altes was jarenlang als beleidsadviseur in dit veld werkzaam, afwisselend aan Nederlandse en Antilliaanse zijde. Hij rijgt de ene rake observatie aan de andere mooie anekdote. Zoals de ondertitel van zijn boek, De lange vlucht van liefde, doet vermoeden, wordt hij gedreven door een hartstochtelijk engagement met de eilanden (en sommige, met naam genoemde bestuurders aldaar). Nederland werpt hij voor de voeten onvoldoende liefde en oprechte belangstelling te koesteren voor het overzeese deel van het Koninkrijk; hij illustreert dit met onthullende inkijkjes in het Haagse bestuurlijke handelen van het afgelopen decennium. Dat weerhoudt hem niet van het formuleren van soms vernietigende kritiek op het functioneren van de Antilliaanse politiek, met haar ambivalente houding tot Nederland en met haar neiging zich af te sluiten voor de boze buitenwereld.

In vergelijking met de heldere, zelfs dwingende voorschriften van Haan biedt Korthals Altes echter weinig zekerheid of concrete aanwijzingen over hoe het dan wél moet. In het huidige politieke klimaat is de ontvangst van beide studies daarom voorspelbaar. Haan is de afgelopen tijd met regelmaat aangehaald om de Nederlandse pressie op de Antillen `om eindelijk eens schoon schip te maken' te onderstrepen. Het bij vlagen ongegeneerd pathetische pleidooi van Korthals Altes voor een doorleefd `Koninkrijksgevoel' zal in Den Haag niet veel begrip ontmoeten.

Het nieuwe ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties communiceert nauwelijks over zijn intenties; het beleid getuigt echter van grote afstandelijkheid tot `overzee', ongeveer het tegendeel van wat Korthals Altes bepleit. Het ministerie lijkt daarmee overigens de Haagse buitenwereld op maat te bedienen. Daar overheerst thans de gefrustreerde opvatting dat `zij' er een potje van hebben gemaakt, en dat als `zij' nu nog niet hebben geleerd dat het anders moet, `wij' ze eerst eens in hun sop zullen laten gaarkoken. En, lijken er steeds meer te denken, als vervolgens keihard beleid en misschien ook nog een toelatingsregeling in Nederland nodig is om de Antillen door de bocht te krijgen: prima.

Nee, in Den Haag lijken de warme gevoelens bij het Koninkrijk waar Korthals Altes zo hartstochtelijk toe oproept vandaag verre te zoeken. De nationale pers denkt er overigens niet anders over. Men leze slechts hoofdredactionele commentaren in deze krant, waarin de hoogte van de Nederlandse 'ontwikkelingshulp' aan de Antillen wordt gehekeld alsof er überhaupt geen sprake is van een Koninkrijksverband en een plechtig vastgelegde verplichting tot het verlenen van 'wederzijdse bijstand'.

Edo Haan: Antilliaanse instituties. De economische ontwikkeling van de Nederlandse Antillen en Aruba, 1969-1995. Labyrint Publications, 331 blz. ƒ45,-

Theo Korthals Altes: Koninkrijk aan zee. De lange vlucht van liefde in het Caribisch-Nederlands bestuur. Walburg Pers, 208 blz. ƒ29,50

    • Gert Oostindie