Wil de echte werkloze zich melden bij het CBS?

De geregistreerde werkloosheid is in Nederland scherp gedaald tot 211.000 of ruim 3 procent, zo meldde gisteren het CBS. Dat is de grote trots van Paars. Toch ligt de reële werkloosheid veel hoger.

Het is volstrekt helder. Na de conjuncturele inzinking begin jaren negentig en de zogeheten baanloze groei halverwege het decennium gaat het de laatste jaren erg goed op de Nederlandse arbeidsmarkt. Werklozenaantallen blijven nog licht dalen, er komen steeds meer vacatures en er wordt geklaagd over arbeidskrapte.

Veel minder helder zijn de scherp uiteenlopende aantallen werklozen die in vijf categorieën worden gepresenteerd door drie instanties: Arbeidsvoorziening (de koepel boven de arbeidsbureaus), het Centraal Planbureau (CPB) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Behalve uiteenlopende en daarmee verwarrende cijfers hanteren ze ook verschillende definities van het fenomeen werkloosheid.

Zo telde Arbeidsvoorziening in 1998 – het laatste jaar met complete gegevens – 863.000 `werkzoekenden', onder wie 206.000 mensen die (nog) een baan hadden. Hierbij gaat het dus om mensen die zich daadwerkelijk bij de arbeidsbureaus hebben laten inschrijven. Daarnaast hanteert Arbeidsvoorziening een tweede werklozencategorie, namelijk `niet-werkende werkzoekenden' die niet of minder dan twaalf uur per week werken. Dat waren er vorig jaar 657.000.

Het CPB gebruikt allereerst de budgettair meest relevante en verder ook zeer voor de hand liggende definitie van werkloosheid: het aantal mensen dat een werkloosheidsuitkering ontvangt. Hun aantal kwam vorig jaar uit op 604.000. Daarnaast benut het Planbureau voor zijn economische analyse de definitie `werkloze beroepsbevolking', die bestaat uit de door het CBS `geregistreerde werkloosheid' plus de werkzoekenden zonder baan die niet bij een arbeidsbureau zijn ingeschreven. Het CPB stelde deze `werkloze beroepsbevolking' in 1998 op 348.000.

Tot slot is er dus het CBS met zijn `geregistreerde werkloosheid'. Dat cijfer is een taxatie, door middel van de geregeld gehouden `enquête beroepsbevolking', van het aantal werkzoekenden dat niet of minder dan twaalf uur per week werkt, maar wel meer dan twaalf uur zou willen werken. Werkzoekenden die in de laatste vier weken niet actief naar werk hebben gezocht worden niet meegeteld. Dat cijfer kwam vorig jaar uit op 287.000 en het laatste kwartaal – zo meldde het CBS gisteren – op 211.000.

Bij de uiteenlopende definities van werkloosheid leidt die van het CBS tot het laagste en meest flatteuze cijfer. Dat pleegt de regering dan ook te gebruiken in haar presentaties naar buiten. Maar voor haar interne budgettaire exercities geeft het kabinet de voorkeur aan de waarschijnlijk realistischer cijfers van het CPB. Dat het Planbureau kennelijk ook niet erg veel ziet in de CBS-cijfers over werkloosheid bleek al in 1993 uit enkele citaten in het Centraal Economisch Plan: ,,De geregistreerde werkloosheid die op verzoek van het kabinet door het CBS wordt gepubliceerd, wordt niet meer door het CPB geraamd.'' Waarom niet? ,,Het is een administratief begrip dat geen inzicht toevoegt.''

,,De conclusie is dat de werkloosheid hoger is dan vaak, vooral door de politici, wordt gedacht'', schreef onderzoeker Leen Hoffman van Arbeidsvoorziening een paar jaar geleden in een artikel over deze materie in het economenblad ESB.

De regering kan zich nu op basis van de CBS-cijfers beroemen op een werkloosheid van ruim 3 procent. Was ze uitgegaan van het realistischer CPB-werklozencijfer – het aantal mensen dat een WW-uitkering krijgt – dan zou het ruim 8 procent zijn. Waren de 920.000 WAO'ers er ook nog eens bijgeteld, wat in verscheidene Europese andere landen min of meer gebeurt, dan zou de reële werkloosheid zelfs tegen de 20 procent lopen.

    • Ferry Versteeg