Russisch leger zet Westen klem

Het Westen durft niet echt stelling te nemen tegen het Russische optreden in Tsjetsjenië. Dat zal opnieuw blijken tijdens de top van de OVSE die vandaag en morgen in Istanbul wordt gehouden. Hubert Smeets meent dat dit alles te maken heeft met het ongenoemde argument: de machtsstrijd van het leger.

De strijd tegen het terrorisme in Rusland verloopt traag maar voortvarend. Anders dan vijf jaar geleden wordt het werk in Tsjetsjenië nu niet primair door politietroepen opgeknapt maar door leger en luchtmacht. Bovendien worden pottenkijkers geweerd, zodat aan het thuisfront geen verwarring rijst over de verhouding tussen kosten en baten.

De steden en dorpen in de laagvlakte (Goedermes, Bamoet en straks wellicht ook Grozny) zijn na ellenlang bombarderen gezuiverd. Er wonen namelijk geen mensen meer, dus ook geen terroristen als Basajev op wie de strijdmacht het officieel gemunt heeft. De laatsten verbergen zich in Vedeno en andere oorden in de bergen. De burgers zijn gevlucht naar Ingoesjetië of andere buurlanden en verblijven daar bij familie, in auto's, tenten of holen. Het zijn er inmiddels bijna tweehonderdduizend. Ingoesjetië, een deelrepubliekje met nauwelijks 300.000 inwoners, bezwijkt er bijna onder. Ruslands minister voor noodtoestanden, de goed gecoiffeerde Sjoigoe, die met zijn nieuwe partij Jedinstvo (Eenheid) namens het Kremlin een gooi doet naar de Doema die over ruim vier weken wordt verkozen, is evenmin in staat om de realiteit in banen te leiden. Treinrampen kan Sjoigoe aan, oorlogsrampen boeien hem minder.

Tsjetsjenië? In verbale zin neemt de opwinding langzamerhand iets toe. Maar tussen woord en daad gaapt een kloof die de echte `frontbenchers' in de internationale politiek behoedzaam omzeilen. Daarvoor zijn negen redenen aan te voeren.

Ten eerste. De Europese Unie en de NAVO hebben hun handen vol aan Kosovo. Daar is het, ondanks een succesvolle luchtoorlog, nog altijd niet pluis. Het opbouwen van een multi-etnische autonome provincie binnen Joegoslavië, waar de oude nationalistisch-socialistische en corrupte elite nog altijd aan de macht is, blijkt zoals verwacht een ingewikkelder bezigheid dan `sorties' vanaf een luchtbasis lanceren of de pers te woord staan in Brussel. Het Westen moet dus afmaken wat het is begonnen.

Ten tweede. Tsjetsjenen zijn moslims met lange baarden en rare hoeden, die er onbegrijpelijke strijdrituelen op nahouden. Met zulke mensen is identificatie moeilijker dan met Kosovaren. Kosovo vertegenwoordigt bovendien een Europees belang. Tsjetsjenië hoort bij het geopolitieke klimaat van West-Azië, waar verlichte moraal en rechtstatelijkheid minderheidsproducten zijn.

Ten derde. Anders dan in Kosovo hebben de Tsjetsjeense leiders in den beginne niet gepoogd langs politieke weg autonomie te verwerven. Ze hebben sinds de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 gegokt op de taal der wapens. Dat vocabulaire is hun met de paplepel ingegoten, laatstelijk in 1944 toen Stalin het Tsjetsjeense volk (samen met Ingoesjen, Kabardijnen en Krim-Tataren) naar Siberië deporteerde wegens `collaboratie' en daar tot na 1956 moest blijven. Mede daarom haten én minachten ze de Russen. Omdat Moskou - ingegeven door haat én angst – evenmin heil zag in een dialoog, konden warlords jarenlang hun gang gaan. Het leidde ertoe dat Tsjetsjenië een vrijstaat werd voor hen die vooral met een kalasjnikov overweg kunnen.

Ten vierde. Tsjetsjenië heeft geen vertrouwen in ons en wij hebben geen vertrouwen in Tsjetsjenië. Beide hebben op hun manier gelijk. De Tsjetsjenen omdat ze, toch al niet gewend om allereerst te praten, geen heil van ons kunnen verwachten. Westerlingen omdat ze er hun bestaan niet zeker zijn. De cineast Jos de Putter en zijn Poolse cameraploeg hebben ter plaatse hun onthullende film The making of an empire gedraaid omdat ze protectie genoten van hun hoofdpersoon: de mafiabaas/ondernemer/bankier/politicus Noechajev die als schaduwminister van financiën en buitenlandse handel in Tsjetsjenië redelijk vrij zijn gang kan gaan. Maar voor het overige wagen alleen de meest dappere en plichtsgetrouwe onafhankelijke waarnemers het er soms op. Vanuit de hemel bedreigen Russische bommen en granaten het leven. Op de grond loeren kidnappers die je in ruil voor losgeld heel misschien vrijlaten. De bijna drie jaar geleden overtuigend gekozen president Maschadov staat machteloos en kan nu weinig anders doen dan zich solidariseren met zijn volk. Met andere woorden, behalve de eenzame Maschadov zijn geen gesprekspartners beschikbaar.

Ten vijfde. Moskou vreest in de Kaukasus een domino-effect. Als Tsjetsjenië rolt, zullen de andere Russische deelrepublieken er ook gaan wankelen en verliest Rusland vervolgens zijn greep op onafhankelijke staten als Georgië, Armenië en Azerbaidzjan. De eerste bommen zijn gisteren al op Georgisch grondgebied, dat een kleine maar cruciale grens met Tsjetsjenië vormt, gedropt. Het Westen, dat ondertussen op de achtergrond zijn partijtje in de regio meeblaast, heeft daarvoor enig begrip. Er zijn al zoveel partijen (als Iran en Turkije) in het spel. Het moet niet nog onoverzichtelijker worden. De domino-theorie in Zuidoost-Azië bleek immers ook geen onzin, toen de Amerikanen in 1975 Saigon verlieten.

Ten zesde. Rusland is geen Servië. Servië is een kleine staat met nog geen negen miljoen inwoners, zonder olie of gas en zonder kernwapens. De etnische politiek van de Serviërs heeft zich in tien jaar van kwaad tot erger ontwikkeld. Steeds kreeg Belgrado het lid op de neus. Isolement was het gevolg. Rusland is een groot land met een (krimpend) volk van nog altijd 145 miljoen zielen plus energiebronnen, nucleaire arsenalen en nog veel meer. Het beleid van de Russen is niet etnisch georiënteerd – Rusland is een multiculturele natie zonder weerga – maar politiek bepaald. Voor Moskou gaat het niet om dé moslims maar om de Kaukasus en de Kaspische Zee. De rebellen verstoren de geopolitieke balans, een evenwicht dat toch al broos is nu het jachtseizoen voor olie en gas er de tweede keer deze eeuw is geopend.

Ten zevende. Jeltsin is geen Miloševic. Het staatshoofd van Rusland is ziek, zwak of misselijk maar schippert tegelijkertijd behoedzaam heen en weer tussen introvert patriottisme (wie durft het grote Rusland de les te lezen) en extrovert realisme (Oost en West hebben identieke belangen bij de bestrijding van terrorisme). De president van Joegoslavië op zijn beurt blijft trouw aan de lijn die hij tien jaar geleden heeft ingezet: de roem van de nederlaag is hem liever dan ondank als 's werelds loon.

Ten achtste. Kosovo was en is weliswaar integraal onderdeel van Joegoslavië. Maar voordat de NAVO in maart de strijd aanbond met Servië had de Veiligheidsraad de regering in Belgrado al vaak en vooral vergeefs gewaarschuwd voor haar heilloze Kosovo-politiek. Tsjetsjenië is sinds de akkoorden van Chasavjoert van 1996 weliswaar de facto zelfstandig – in 2001 zou de bevolking zich daarover per referendum de jure mogen uitspreken – maar sindsdien heeft niets en niemand deze toestand erkend. De Tsjetsjeense gezanten in den vreemde bivakkeren in achterkamertjes. En als ze het nationale vlaggetje op hun auto monteren, roept dat eerder hilariteit op dan respect.

Ten negende. Hoewel Rusland dit voorjaar zijn fiat aan de NAVO-actie Allied Force in Joegoslavië onthield, heeft de Russische regering zich gevoegd. Moskou deed wat het moest doen: bemiddelen, vertragen, provoceren en uiteindelijk participeren. De burgerlijke leiders in Moskou hebben zich niet laten verleiden door de militaire leiders, die hun kans toen al schoon zagen voor een confronterender politiek jegens het Westen. Een soort koude oorlog werd zo afgewend: in ruil voor IMF-kredieten, waarop de Russische regering door de `witwasaffaire' in de VS en Zwitserland overigens nog wacht.

Een paar van deze negen argumenten zullen president Jeltsin en zijn premier Poetin te berde brengen bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), die vandaag en morgen in Istanbul bijeenkomt. Een tiende reden zullen ze vermoedelijk niet aan de orde laten komen. Want de `campagne' tegen het islamitische terrorisme in de Kaukasus heeft ook intern-Russische oorzaken en implicaties. Cynici zeggen: ze is allereerst ingegeven door binnenlandse belangen. Tot deze zomer leek de machtsstrijd rond het Kremlin een civiele aangelegenheid. De `oligarchen' van de financieel-industriële conglomeraten hadden allemaal hun eigen politici op de loonlijst staan. Wie goed betaalde en de relevante posten bezette, wist zich verzekerd van een goede uitgangspositie voor de komende parlements- en presidentsverkiezingen.

Sinds Kosovo heeft zich een derde partij gemeld: het leger dat zich de theorie van voormalig minister van Buitenlandse Zaken en premier Primakov over de wereld als `multipolaire' arena eigen heeft gemaakt. Naar de burgerpolitici wensen ze hun oren niet meer te laten hangen. De Kaukasus is hún `schietkamp'. Generaal Kvasjnin, voorzitter van de chefs-van-staven, heeft minister Sergejev van Defensie de afgelopen weken niet toevallig overvleugeld. Buiten de bewindsman om telefoneerde hij zelfs met Jeltsin, die in Sotsji aan de Zwarte Zee met vakantie was en daarna ijlings huiswaarts keerde, om de president duidelijk te maken dat in de Kaukasus geen weg terug is.

Voor de fascistoïde schrijver/politicus Prochanov, die de afgelopen jaren alleen in de marge mocht figureren, is dat aanleiding om zich in Argoementi i Fakti, het grootste weekblad van Rusland, aan een prognose te wagen. Als de oorlog doorgaat – en die kans is groot, nu patriarch Aleksej II zijn zegen heeft gegeven, Poetin zich tot spreekbuis van het leger opwerkt en afgelopen weekeinde openlijke steun van Jeltsin heeft gekregen – krijgen we volgens Pochranov te maken met een ,,nieuwe realiteit'' waarin de toon wordt gezet door een ,,nieuwe elite van briljante jonge generaals.'' Om misverstand te voorkomen: Pochranov verheugt zich op voorhand niet omdat deze generaals hun hele leven in de kazerne hebben doorgebracht. Ze zijn daarom makkelijk te `manipuleren' door de financieel-politieke oligarchen die geen belang hebben bij het `ontwaken' van Rusland, zoals hij als chauvinist juist wel wil, maar flirten met een `grote coalitie' zodat de presidentsverkiezingen straks niet meer nodig zijn. Zijn redenering is wat paranoïde maar daarmee nog niet onzinnig. Rusland wordt nu gedomineerd door een carré van vier `k's': Kremlin, kapitaal, kommunisten en kazerne. Voor de buitenstaanders resteert de kroeg.

In Istanbul etaleren de Westerse leiders ondertussen hun zorgen. De Russen zullen luisteren en hun gesprekspartners aan de hand van de eerste negen argumenten van repliek dienen. Maar om de tiende reden draait het. De dynamiek in het Kremlin en de Kaukasus heeft hen meezogen in een gewapend conflict waarop dat bekende Pruisische axioma niet meer lineair van toepassing is: de oorlog om Tsjetsjenië is niet louter een voortzetting van de politiek met andere middelen, de politiek in Moskou is ook een voortzetting van de oorlog geworden. De OVSE heeft te weinig tijd om zich deze dialectiek eigen te maken.

Hubert Smeets is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Hubert Smeets