Kunstprijzen

Het Amsterdams Fonds voor de Kunst heeft onlangs in Amsterdam de Amsterdamse Kunstprijzen uitgereikt. Het lijkt een beetje op de Bibelebonse berg, maar zo is het nu eenmaal. Dat waren er nogal wat, want er zijn dertien van die Kunstprijzen en ook nog evenveel `Aanmoedigingsprijzen'. Het bestuur van dat Fonds had mij gevraagd bij de uitreiking van die kunstprijzen iets te zeggen over belang en betekenis van kunstprijzen.

Als je daarover nadenkt, komen direct twee vragen bij je op: (1) Zijn er niet te veel prijzen? (2) Worden ze wel aan de juiste mensen toegekend? Het antwoord op de eerste vraag is simpel: Er zijn er ongetwijfeld heel veel. Vrijwel iedere dag staat wel een of andere prijswinnaar in de krant – en tegenwoordig ook nog vaak een aantal genomineerden. Ik zou niet precies weten hoeveel kunstprijzen er in totaal in Nederland bestaan, maar voor de letterkunde beschikken wij over het overzichtswerk Nederlandse Literaire Prijzen, 1880-1985. Daarin staan zo'n tweehonderd literaire prijzen vermeld, waaronder enkele nogal pittoreske. Zo is er de Artishock-prijs te Soest, de Burgemeester de Bruin-prijs te Rheden, de burgemeester Van Grunsven-prijs te Heerlen, de Rely Jorritsma-priis van de gemeente Baarderadeel, de Reyer Onno van Ettingen-pries voor jonge Drentse auteurs en de Kabouter van het Oosten-prijs voor `een kunstenaar die het eigene van het oosten in zijn werk tot uitdrukking heeft gebracht en daarvoor in heel Nederland waardering heeft gevonden'. Maar er staan er veel meer vermeld en er zijn sindsdien ook nog nieuwe en belangrijke prijzen bijgekomen, zoals de AKO-, de Libris- en later de Generale Bank-prijs, die in de geest van deze tijd verbonden zijn met de commercie en het grote geld. Dat laatste bieden de meeste literaire prijzen overigens niet. Wij vinden in het prijzenboek prijzen vermeld van driehonderd, tweehonderd, honderd, ja zelfs van vijftig gulden.

Belangrijker is de tweede vraag: worden ze wel aan de juiste mensen toegekend? Ik hield, om dit probleem toe te lichten, mijn gehoor drie vragen voor, die ik bij deze ook aan de lezer voorleg. Die vragen zijn allemaal van dezelfde aard, zodat het steeds makkelijker wordt het goede antwoord te vinden. Vraag één: ,,Wat hebben de volgende personen gemeen: F. Passy, E. Ducommun, A. Gobat, W.R. Cremer, T. Moneta, K.P. Arnoldson, F. Bajer, A.H. Friet, E. Root, H. Brenting, Chr. Lange, F.E. Buisson, L. Quidde, N. Söderblom, J. Addams, N.M. Beuker en Henry Kissinger?'' Het antwoord luidt: zij allen wonnen de Nobelprijs voor de vrede. De tweede vraag is: ,,Wat hebben de volgende personen gemeen: R.F.A. Sully-Prudhomme, J. Echegaray, G. Carducci, R. Eucken, P. Heyse, V. von Heidenstam, K. Gjellerup, H. Pontoppidan, C. Spitteler, J. Benavente, W. Reymont, G. Deledda, E.A. Karlfeldt, F.E. Sillenpää, J.V. Jensen, G. Mistral, F. Mistral en Winston Churchill?'' Het antwoord op deze vraag is: zij allen ontvingen de Nobelprijs voor literatuur. De derde en laatste vraag is: ,,Wat hebben de volgende personen gemeen: Anton Tsjechov, Louis Couperus, James Joyce, Franz Kafka, Rainer Maria Rilke, Marcel Proust, Paul Valéry, Robert Musil, Graham Greene, W.H. Auden, F. Scott Fitzgerald, Nabokov, Kavafis en Borges?'' Inderdaad! Zij allen ontvingen de Nobelprijs voor literatuur niet. Nu moet men om de Nobelprijs voor literatuur te winnen volgens de Statuten niet alleen mooie boeken schrijven, maar ook werk leveren dat zich ,,door verheven ideale doelstellingen kenmerkt.'' Dit verklaart wellicht het feit dat Harry Mulisch de prijs nog steeds niet heeft ontvangen.

Ik noem de Nobelprijs niet om er de spot mee te drijven, noch om aan te tonen dat deze prijs altijd aan de verkeerde personen wordt toegekend, maar om te laten zien dat zelfs bij deze Prijs der Prijzen de deskundigen nogal eens door de geschiedenis in het ongelijk zijn gesteld. Het blijft tenslotte mensenwerk. Soms was het overigens ook wel eens een al te menselijk mensenwerk. Zo is het op zijn minst verrassend te constateren dat van de vijfenveertig Nobelprijzen voor literatuur die in de eerste halve eeuw van het bestaan van deze prijs zijn toegekend, er tien naar een auteur uit Scandinavië zijn gegaan. Het is zeker waar dat in deze landen van eeuwig zingende bossen en schier eindeloze winterse duisternis veel wordt gelezen en veel geschreven, maar dat meer dan twintig procent van 's werelds grote schrijvers uit deze regio zou komen, is op het eerste gezicht toch niet erg aannemelijk.

De Nobelprijs is de Prijs der Prijzen. Aan die prijs is dan ook een groot geldbedrag verbonden. Maar er zijn andere prijzen met even grote geldbedragen die toch nooit hetzelfde prestige hebben verworven. Het gaat dus kennelijk meer om het prestige dan om het geld, zoals wellicht het duidelijkst wordt geïllustreerd door een van de beroemdste literaire prijzen, de Prix Goncourt. Het aan deze prijs verbonden geldbedrag bedraagt de somma van vijftig francs, nieuwe francs, dat wel, maar het is en blijft toch niet meer dan vijftien gulden. De auteurs die hem winnen, wisselen die chèque uiteraard nooit in. Zij lijsten hem in en hangen hem aan de muur. Het prestige van de prijs is namelijk zo groot dat succes, hoge oplagecijfers en dus veel geld zijn verzekerd.

Een ander opmerkelijk voorbeeld uit eigen land is de prijs met de ingewikkelde naam Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. De aan deze prijs verbonden geldsom bedraagt niet meer dan duizend gulden. De lijst van prijswinnaars echter is indrukwekkend. Zo vindt men onder de vooroorlogse bekroonden de namen van Aart van der Leeuw, Herman de Man, Anton Coolen, Arthur van Schendel, Slauerhoff, Marsman en Vestdijk en daarna die van Vasalis, Ida Gerhardt, Anna Blaman, Leo Vroman en Hans Warren, kortom de hele literaire canon. Ik moet er overigens bij zeggen dat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, die deze prijs verleent, het prijzengeld sinds enige jaren uit eigen middelen heeft verhoogd tot 5.000 gulden. De Reina Prinsen Geerligs-prijs, een aanmoedigingsprijs die inmiddels niet meer bestaat, bedroeg slechts tweehonderd gulden, maar was toch ook zeer prestigieus. Dat kwam door de indrukwekkende lijst der bekroonden. De prijs ging immers in 1947 naar Gerard (toen nog Simon van het) Reve en in 1951 naar Harry Mulisch. Goed gezien door die jury.

Het valt al met al niet te ontkennen dat er heel wat prijzen zijn. Daarom word je ook niet beroemd door een prijs te winnen. Daarvoor is iets anders nodig. Voor zover ik het kan overzien, bestaan hiervoor slechts twee mogelijkheden. De eerste is, de prijs te weigeren, zoals Sartre met de Nobelprijs heeft gedaan. De tweede is, dat de prijs je wordt ontnomen, zoals met de P.C. Hooftprijs van Hugo Brandt Corstius is gebeurd.

    • H.L. Wesseling