De waarheid, niets dan de waarheid

In een retrospectief op de opgeheven Association Internationale des Documentaristes blikt IDFA terug op de geschiedenis van de documentaire.

DE EEN LIEGT met plezier en de ander met een stalen smoel. En dan zijn er ook nog documentairemakers die denken dat als ze er maar flink op los liegen de wereld vanzelf verandert. Nergens worden zo veel leugentjes om bestwil verteld, smoesjes verkocht, uitvluchten verzonnen en zijpaden betreden als in de documentairefilm. Zijn geschiedenis is er een van bedriegers die de waarheid over de werkelijkheid liegen.

Je kunt je bijna niet voorstellen dat al die verenigde leugenaars aller landen elkaar vanaf 1964 vonden in de Association Internationale des Documentaristes. De oude wijze leugenaars als John Grierson, die vonden dat documentairemakers op creatieve wijze met de werkelijkheid moesten omgaan. Ook als dit betekende dat men in de praktijk de werkelijkheid naar zijn hand zette. En dan waren er nog de jonge jokkebrokken als Joris Ivens die met hun films niet alleen de werkelijkheid reconstrueerden, maar daarmee tegelijkertijd een politiek doel nastreefden. En wat te denken van de Amerikaanse vertegenwoordigers van de direct cinema zoals Richard Leacock en D.A. Pennebaker, die zeiden dat ze niet meer waren dan een vlieg op de muur die de werkelijkheid over zichzelf liet liegen? Of van de Franse fantasten onder aanvoering van Jean Rouch die onder het mom van cinema vérité de waarheid uitdaagden uit haar schuilplaats tevoorschijn te komen?

De Association Internationale des Documentaristes (AID) werd opgericht op een moment dat de scheiding tussen documentairemakers die de werkelijkheid zo onbevooroordeeld mogelijk wilden betrappen en diegenen die haar met alle mogelijke middelen probeerden op te roepen zich scherp aftekende. Door de ontwikkeling van de lichtgewicht 16mm filmcamera met synchroon geluid werd het voor filmmakers mogelijk om zonder grote crew op stap te gaan en de werkelijkheid te registreren in plaats van te regisseren. Geen wonder dat de Deense documentarist J⊘rgen Roos zijn collega's bezorgd opriep de krachten te bundelen: ,,De documentairefilm staat er erg slecht voor, en ik denk dat het een goed idee zou zijn om daar iets aan te doen.''

Dat `iets' werd de AID, een internationale belangenvereniging van documentairemakers, die op het hoogtepunt van haar activiteiten eind jaren zestig meer dan honderd leden telde in meer dan twintig landen. Grierson was erbij en Roos, maar ook hun opstandige jongere collega's die meenden dat het afgelopen was met de creatieve documentaire van hun voorgangers.

De vraag of en hoe waarheid en werkelijkheid door filmmakers in beelden zijn te vangen, loopt als een rode draad door de geschiedenis van het documentaire-genre heen en is steeds moeilijker te beantwoorden. Want na de lichte 16mm camera's kwamen de digitale videocamera's van de jaren negentig, maar ook de verbeterde montagetechnieken en daarmee de mogelijkheid tot manipulatie. Een filmmaker kan dan wel zo neutraal mogelijk zijn camera op een bepaald onderwerp hebben gericht, in de veilige beslotenheid van de montagekamer wordt hij toch gedwongen om keuzes te maken. Het idee dat documentaires objectief kunnen zijn is het best bewaarde geheim van de non-fictiefilm. Ze vertellen hoogstens een geobjectiveerd verhaal over de wereld om ons heen.

Elke editie van IDFA zijn ze er wel weer bij, de uitgesproken voorbeelden van de ene of de andere manier van documentaire maken. Van de oude vlieg-op-de-muur Frederick Wiseman bijvoorbeeld, die elk jaar met een nieuwe film komt waarin hij zich zo onzichtbaar (maar inmiddels niet meer onherkenbaar) mogelijk opstelt. Dit jaar in het Noord-Amerikaanse Belfast (Belfast, Maine), waarin hij laat zien hoe het voormalige handelsstadje worstelt om tegen een achtergrond van veranderende sociaal-economische omstandigheden het hoofd boven water te houden. Wisemans films worden elk jaar langer, om de toeschouwer er maar van te overtuigen dat het leven zich ook niet op bioscoopfilmlengte voltrekt.

Wiseman en zijn geestverwanten als Leacock, Pennebaker en de gebroeders Maysles zijn ook van die filmmakers die om hun uitgesproken opvattingen over hoe documentairemakers zich dienen te gedragen favoriet zijn bij samenstellers van de IDFA Top-10. Een keuze die meteen veraadt aan welke kant van het spectrum de samensteller staat, want in de Top-10 van dit jaar zul je ze niet tegenkomen. Werner Herzog die het lijstje dit jaar opstelde, verklaarde eerder dit jaar tijdens het Filmfestival Cannes ter gelegenheid van de première van zijn Klaus Kinksi-film Mein liebster Feind nog dat de zogenaamde waarheid van de cinema vérité niets anders is dan een `waarheid van boekhouders'. Herzog staat een `poëtische waarheid' voor ogen, eentje die zich minder met de feiten en meer met het verhelderen van de wereld om ons heen bezighoudt.

Toch zijn er ook films die zowel voorstanders van de ene opvatting over documentairemaken opvoeren om hun standpunt te illustreren, als voorstanders van de tegenovergestelde opvatting. Is Nanook of the North over het leven van een jonge Eskimo-jager van Robert Flaherty nu een van de eerste volwassen documentaires in de traditie van de gebroeders Lumière, die hun camera op de wereld om hen heen richtten? Of is het tegelijkertijd, zoals anderen beweren, een van de eerste fakedocumentaires, omdat Flaherty het leven van de Eskimo's sterk romantiseerde, talloze scènes van te voren uitschreef en ze vervolgens zo authentiek mogelijk liet naspelen?

Een van de filmmakers die én een wereldverbeteraar wil zijn én kan liegen met plezier en een stalen smoel tegelijkertijd, is Chris Marker, door Herzog met zijn film Lettre de Sibérie in zijn Top-10 opgenomen. Marker thematiseert in die film de vele manieren om naar de werkelijkheid te kijken. Ogenschijnlijk het verslag van een reis naar het Siberië van 1957, roept Marker een landschap op dat zich beweegt tussen de Middeleeuwen en de 21ste eeuw, een wereld van contrasten, vol grote gevoelens en rauwe, aardse poëzie. Met behulp van diverse filmische bronnen, foto's, cartoons, televisiejournaals en landschapstaferelen in kleur, zwartwit en sepia vertelt hij de geschiedenis van Siberië op associatieve wijze. Van de westernachtige goudzoekersverhalen, de mythische holenmensen in de oertijd tot de futuristische ruimtevaartindustrie van de Sovjet-Unie en weer terug. Hij laat elk beeld een aantal keren zien, een keer om de Sovjet-Unie te kritiseren, een keer om haar te bejubelen en vervolgens nog een keer 'zoals het is'. Waarmee hij maar weer eens aantoont dat niets is zoals het is.

    • Dana Linssen