Zangers

Wat is het verschil tussen Frans Bauer en André Hazes, de regerende koningen van de Nederlandse schlager? Misschien geen vraag die veel lezers uit hun slaap houdt, maar toch is een antwoord op zijn plaats nu de naam van Hazes de komende weken veel zal vallen. Er is namelijk een film over hem gemaakt, André Hazes, Zij gelooft in mij, die volgende week op het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) in première gaat.

Bauer heb ik altijd een interessant muzieksociologisch verschijnsel gevonden, omdat hij het typische product is van gehaaid managementsdenken in de muziekindustrie. Met Bauer bewijzen de muziekjongens dat een artiest over geen enkele gave hoeft te beschikken om het grote publiek te kunnen veroveren. Ze zagen een doelgroep – de wat oudere huisvrouw en haar dochters – en ze schiepen er een artiest bij. Bauer had nooit eerder bestaan, hij werd simpelweg samengesteld uit de ledematen en stembanden van overleden schlagerzangers.

Bauer heeft geen sterke stem, geen sexy uitstraling, geen charisma – hij speelt al die eigenschappen. Zijn manager zei: ,,Ik bepaal zijn artistieke ontwikkeling, dat kan een artiest niet zelf. Ik weet dat als hij roept: `Ik wil Engelstalig zingen', alles meteen afgelopen is. Zo'n zoete stem past niet bij die taal.''

En dus zingt Frans nog steeds braaf de liedjes die voor hem geschreven worden: `Het had zo mooi kunnen zijn' en `Op rode rozen vallen tranen'. Succes op bestelling.

Nu André Hazes. Dat is een ander verhaal. Hazes heeft wel degelijk zijn eigen artistieke lot bepaald. Hij schrijft veel van zijn liedjes zelf en hij zingt ze met bezieling.

Daarbij heeft Hazes als artiest het voordeel dat zijn eigen leven steeds meer is gaan lijken op de smartlappen die hij zingt. Dat laat regisseur John Appel in zijn interessante documentaire overtuigend zien. Hazes valt samen met zijn repertoire. Hij mág `Eensame Kerst' zingen, omdat hij op de keper beschouwd een beetje een zielige man is, die een nare jeugd heeft gehad, die vervreemd is van zijn familie en die zich van het ene slechte huwelijk naar het andere sleept.

Aan het einde van de film is hij bijna ingestort, de dreigende schipbreuk van zijn derde huwelijk veroorzaakt een onbedwingbare huilbui. Ik zat er met veel collega's naar te kijken – het was een persvoorstelling – en we hadden af en toe erg moeten lachen om de wereld van André, waarin het grote gebaar en het grote, zeer gouden sieraad niet worden geschuwd, maar tegen het einde werd het doodstil in de zaal. We zagen een drama en we geloofden erin.

Ik sprak na afloop een collega die de film voor de tweede keer had gezien en opnieuw tot tranen toe geroerd was. Zó ver reikte mijn ontroering niet, want ik heb één grote handicap: ik houd niet van Hazes' muziek. Ik blijf het kitsch vinden, op het gevaar af dat André nu ook mij `een teringtyfuskutjournalist' zal noemen.

    • Frits Abrahams