Wrede stijloefening

Het wordt donker en in dat donker is opeens een landschap te zien. Bergen bedekt met dennen, schokkerig van onderen vastgelegd. De openingsbeelden van Sombre zijn zo sterk en zo kaal, zo merkwaardig simpel dat ze bioscoopbezoek weer opwindend maken. Je zit in het donker in Amsterdam op een stoel en tegelijkertijd zit je op de voorbank van een auto die door een berglandschap rijdt. Je zou lang naar deze beelden kunnen kijken zonder een verhaal te missen. Het wisselende licht, de bochten in de weg, de beweging van de camera zorgen voor genoeg variatie. Het landschap wordt bovendien doorsneden met beelden van gillende, opgewonden kinderen, die ergens naar kijken. Je weet niet naar wat, en daardoor roepen ze een beroemde foto in herinnering van de Amerikaanse nieuwsfotograaf Weegee, die na een moord of een ongeluk vaak snel ter plekke was. Het is de foto waarop Weegee niet het slachtoffer fotografeerde maar de mensen die ernaar kijken. Hun opgewonden, verlekkerde gezichten roepen walging op.

Sombre wordt na deze eerste overrompelende beelden toch een film met een verhaal. Het speelfilmdebuut van de Franse regisseur Philippe Grandrieux gaat over een seriemoordenaar. Jean rijdt rond in de streek Auvergne, pikt hoeren en strippers op, bekijkt op ene hotelkamer hun vagina en wurgt ze vervolgens. Op een dag ontmoet de moordenaar twee zusjes die hij niet meteen ombrengt. Toch vergijpt hij zich tijdens een uitje naar een meer aan de zelfverzekerde van de twee. De andere, een gefrustreerde maagd, weet haar te redden, maar keert zich zelf niet van Jean af.

Het is een walgelijk verhaal dat Grandrieux vertelt, en hij probeert de kijker in dezelfde positie te manoeuvreren als de omstanders op de foto van Weegee. Dat lukt hem voor een deel. Een ander deel komt in opstand tegen deze gratuite vorm van misogynie. Aan het slot van de film worden vanuit de auto mensen die in de berm op het doorkomen van de Tour de France wachten gefilmd, begeleid door desolate muziek van Alan Vega.

Grandrieux, die zijn idioom ontleent aan Amerikaanse experimentele filmers als Stan Brakhage en Jonas Mekas, creëert met zijn van de schouder genomen, vaak onscherpe en onderbelichte beelden een schoonheid die haaks staat op zijn verhaal. In feite doet hij hetzelfde als David Fincher in Fight Club, waarvan geweld en gevoelloosheid ook het onderwerp is. Alleen de esthetiek is anders. Fincher is gedrenkt in de populaire cultuur, Grandrieux komt voort uit de avant-garde. Voor beiden lijkt geweld vooral aanleiding voor een stijloefening. De reactie op beide films vertoont ook overeenkomsten. Ze werden door sommige als een meesterwerk ontvangen, door anderen immoreel genoemd. Grandrieux heeft in interviews gezegd dat we zijn film moeten opvatten als een sprookje, als een moderne variant op Blauwbaard of Roodkapje. Waarschijnlijk is Jean daarom een keer gekleed in een wolvenkostuum te zien en is een van de zusjes zo ostentatief maagd. Maar de film is eerder een illustratie van de moderne opvatting van kunst die voorschrijft dat schoonheid niets met inhoud te maken heeft. In Sombre is deze opvatting uitgewerkt als een dooddoener.

Sombre. Regie: Philippe Grandrieux. Met: Marc Barbé, Elina Löwensohn, Géraldine Voillat. In: Rialto, Amsterdam; Lantaren/Venster, Rotterdam.

    • Bianca Stigter