Grootmeester met exotische zwier

Vorige week donderdag overleed grootmeester Lodewijk Prins, 86 jaar oud. Hij heeft als speler, schrijver en organisator een grote rol in het Nederlandse schaak gespeeld.

Behalve Euwe en Landau waren de Nederlandse meesters voor de oorlog vrij honkvast. Ze waren amateurs en ze konden zich voor schaakreizen moeilijk vrijmaken. Prins slaagde er wel in om zijn beroepsleven te combineren met een internationale schaakcarrière en in het Nederlandse klompenland bracht hij de exotische zwier van iemand die zich in het buitenland beter thuis voelt dan hier.

Vanaf Hastings 1931 - hij was toen zeventien jaar – speelde hij een lange reeks internationale toernooien, tot de oorlog uitbrak, en toen het schaakleven zich na de oorlog weer herstelde was hij in Hastings 1946 weer present.

Groningen 1946, waar de internationale schaaktop onder leiding van Euwe en Botwinnik slag voerde, zou het eerste supertoernooi voor Prins worden, maar het ging voor hem niet door. Er was een Rus teveel gekomen en Prins moest zijn plaats afstaan. Hij voerde een proces en dwong een fikse schadevergoeding af, maar het bleef een grote teleurstelling.

In Spanje speelde Prins liever dan in Nederland, maar dat weerhield hem niet om in 1949 de Stichting Internationale Schaaktraditie Amsterdam op te richten. Die stichting deed veel goed werk: Amsterdam ontving het wereldtoernooi van 1950, de olympiade van 1954 en het kandidatentoernooi van 1956.

In 1965, toen hij al niet zo veel meer schaakte, werd Prins kampioen van Nederland en een al meer dan tien jaar sluimerende vete met Donner leefde op en kreeg nationale aandacht toen Donner de nieuwe kampioen verweet dat hij geen paard van een loper kon onderscheiden. Een krasse manier om te zeggen dat Prins de algemeen aanvaarde inzichten over de kracht van het loperpaar niet deelde. Prins was een eigenzinnig man, ook in zijn schaakopvattingen.

Van 1937 tot 1968 was Prins in alle olympiades voor Nederland uitgekomen, een bewijs van zijn hoge positie in het Nederlandse schaak. In 1970 kwam daar een eind aan, Prins werd niet voor het team gekozen en gaf met kracht uiting aan zijn mening dat het niet eerlijk was gegaan. De schaakbond raakte in paniek en schorste Prins voor vertegenwoordigende teams. Latere bestuursleden hebben geprobeerd deze misstap te corrigeren, maar het is nooit meer goedgekomen tussen Prins en de bond en iedereen die met die olympiade van 1970 van doen had gehad. Het was een naar jaar voor Prins. Hij was schaakmedewerker van de NRC en toen die krant in 1970 fuseerde met het Algemeen Handelsblad moest Prins wijken, zeer tegen zijn zin.

Als balling in de Nederlandse schaakwereld bleef hij tot op hoge leeftijd internationaal actief. Zo speelde hij in 1989 in de grote open toernooien die Kasparovs GMA in Moskou en Mallorca organiseerde en nog in 1993 speelde hij in Cattolica, Italië.

Prins schreef ongeveer twintig schaakboeken, waarvan zijn boek over Capablanca waarschijnlijk het mooist is. Hij was een bijzonder mens, vaak lastig voor zichzelf en voor anderen, aan wie de schaakwereld veel dankt.

    • Hans Ree