Een vals begrip

De oorlog in Tsjetsjenië is een goede aanleiding om nog eens na te denken over ons nieuwe begrip `humanitaire oorlog'. De beelden van een half jaar geleden en nu zijn onderling uitwisselbaar. Wat weerhoudt het Westen er deze keer van zich krachtiger tegen de schending van de mensenrechten te verzetten, volgens de doctrine in wording? Op de conferentie van de OVSE, die morgen in Istanbul begint, ligt ter ondertekening een document waarvan de strekking is dat de schending van de mensenrechten in een lidstaat alle andere aangaat. De mensenrechten kunnen zwaarder tellen dan de soevereiniteit. Het ingrijpen van de NAVO in Kosovo is de praktijk die de theorie vooruitgaat. Waarom dan niets meer dan deze bezorgde belangstelling voor Tsjetsjenië? Het ligt voor de hand dat de NAVO niet onmiddellijk met bombardementen op relevante doelen in Moskou zal dreigen. Maar er zijn nog andere machtsmiddelen; economische sancties bijvoorbeeld.

Begin deze maand hebben president Clinton en premier Poetin elkaar in Oslo ontmoet. Clinton sprak zijn bezorgdheid uit en raadde Poetin aan contact te leggen en onderhandelingen te beginnen met de `gematigde verzetsleiders'. Als die er al zijn, is de oorlog al veel te ver gevorderd om ze nog een rol te laten spelen. Daarvoor gaat het de Russen te goed. Een leger breekt een opmars niet af om de politici de gelegenheid te geven tot onderhandelen. Meer dan bezorgdheid gaf Clinton trouwens niet ten beste. Aan economische sancties wordt in Washington niet gedacht omdat twee andere belangen op het spel staan: de verdere, door Amerika gefinancierde ontmanteling van de Russische kernmacht en de algemene stabiliteit in Rusland. Daardoor houdt Moskou een greep op Washington.

Dan zijn er nog een paar overwegingen. De Russen blijken van de NAVO te hebben geleerd. Het voeren van een oorlog bestaat niet alleen uit het gevarieerd grootschalig gebruik van geweld. In deze democratische tijd moet het publiek een en ander ook worden `verkocht'. De opmars van het leger wordt begeleid door een geregisseerde nieuwsvoorziening, terwijl het front zoveel mogelijk voor de media blijft afgesloten. Zo is het in de Golfoorlog en Kosovo gegaan, zo gaat het nu in Tsjetsjenië. En in dit geheel heeft Poetin zijn eigen argumenten. In een artikel op de opiniepagina van The New York Times vraagt hij wat de Amerikanen zouden doen als in New York of Washington eens een stuk of wat woonblokken door terroristen waren opgeblazen en als de staat waaruit ze afkomstig waren zich met geweld uit de Unie probeerde los te maken. Waarom hebben de Amerikanen de hoofdkwartieren van terroristen gebombardeerd nadat twee van hun ambassades in Afrika door bomaanslagen waren getroffen? Het spijt ons meer dan we kunnen zeggen als in Tsjetsjenië nu onschuldigen het slachtoffer worden, schrijft Poetin, maar ons leger doet alles om dat te vermijden. De uitdrukking collateral damage gebruikt hij nog niet. Dat laat hij aan de lezer over.

Poetin blijkt door de oorlog voor de Russen een populair politicus te zijn geworden. Er is een groeiende kans dat hij de opvolger van Jeltsin zal worden. Met alle belangen die niet alleen Amerika maar het hele Westen bij een stabiel Rusland heeft, is het niet verwonderlijk dat Clinton het bij een uiting van diepe bezorgdheid laat. Het is zelfs een belang van het Westen, onuitgesproken, dat de Russen zo snel en zo duidelijk mogelijk deze oorlog winnen. De nu aangerichte puinhoop is al groot genoeg.

Voor het Westen is er geen mogelijkheid om zich, op wat voor manier dan ook, in deze ongetwijfeld verschrikkelijke oorlog te mengen, zelfs niet door economisch `druk uit te oefenen', terwijl dat op grond van humanitaire beginselen toch het geringste zou zijn. Wat wil men dan met een `doctrine' die bedoeld is als de aanzet voor een erkend charter ten behoeve van interventies? Is de ingreep in Kosovo die tot de theorie van de humanitaire oorlog heeft geïnspireerd dan geen succes? Nee. Deze oorlog is een ingreep die jaren te laat is gekomen en zou misschien zin hebben gehad aan het begin van de Joegoslavische secessieoorlogen. Maar dat is nakaarten. In deze luchtoorlog is een militair succes met een politieke oplossing verward. De grote aanstichter regeert in Belgrado over de puinhopen van zijn geïsoleerde land, een Saddam van de Balkan. Andere onheilstichters, Karadzic en Mladic, die al jaren in Den Haag achter de tralies hadden moeten zitten, lopen vrij rond. Voor Kosovo, dat multi-etnisch had moeten blijven, nadert het ogenblik waarop het definitief zal zijn verdeeld, niet officieel, wel feitelijk. De humanitair genoemde oorlog, in werkelijkheid een late ingeving van halfbakken politiek, heeft – afgezien van de terugkeer der Kosovaren – alleen averechts gewerkt. De nasleep is onbeheersbaar.

Dat is één reden om voorzichtig te zijn met het aannemen van een charter bestaande uit hooggestemde bedoelingen. De andere is dat zo'n onderneming niet mogelijk is zonder de militaire kracht van Amerika. En de doelstellingen van de Amerikaanse politiek vallen lang niet altijd samen met wat in Europa voor wenselijk wordt gehouden. Mocht dat van tijd tot tijd wel zo zijn, dan is er nog altijd de Amerikaanse binnenlandse politiek, waarin op telkens wisselende manier de grenzen van de interventie worden getrokken – met één constante: er mag geen Amerikaan bij sneuvelen. Is dit risico te groot, dan zou er een situatie kunnen ontstaan waarin Europa is aangewezen op zichzelf. In dat geval dient zich de andere constante aan: de Europeanen zijn het niet eens. Van wat er dan kan gebeuren is Srebrenica een voorbeeld.

Uit dit alles mag volgen dat een soort statuut voor humanitaire interventies een onding is dat de slachtoffers valse beloften verstrekt of een vermomming verleent aan een oorlog die in werkelijkheid een gewone oorlog is, een strijd om politieke belangen.

    • H.J.A. Hofland