Een pleidooi voor de kleinere boer

Al jaren is er een diepgeworteld wederzijds wantrouwen tussen het ministerie van Landbouw en de boeren. Het departement faalt op een onthutsende manier en vertoont autistische trekjes, vindt hoogleraar Jan Douwe van der Ploeg uit Wageningen. In zijn boek De virtuele boer legt hij uit dat het ministerie en de kennis- instituten een verkeerd beeld hebben van het Nederlandse platteland. Dat leidt tot het heilig verklaren van schaal- vergroting en sanering. En tot frustratie van kleinere en bredere boerenbedrijven, die wel degelijk toekomst hebben.

Er pakken zich donkere wolken samen boven de Nederlandse landbouw. Duizenden varkensboeren beëindigen de komende jaren waarschijnlijk hun bedrijf vanwege de lage vleesprijzen en de mestwetgeving. Van veel andere bedrijven is het de vraag of ze de liberalisering van de wereldhandel overleven.

Volgens de Wageningse hoogleraar rurale sociologie Jan Douwe van der Ploeg hebben niet de moderne agrarische ondernemers, de farmers, de grootste overlevingskansen, maar de op het eerste gezicht wat ouderwets boerende peasants. Toch zet het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) al zijn kaarten op de eerste groep boeren. Volgens Van der Ploeg omdat LNV en de kennisinstellingen die het ministerie van informatie voorzien, een sterk vertekend beeld hebben van de Nederlandse landbouw. Hij schreef er een dik boek over. Morgen krijgt minister Brinkhorst het eerste exemplaar.

Het boek heet De virtuele boer. Het gaat niet over boeren en computers, maar over de grove vertekeningen in het beeld dat de agrarische kennisinstellingen en het ministerie hebben van boeren en het platteland. LNV baseert zijn beleid volgens Van der Ploeg op een virtuele werkelijkheid. De gevolgen zijn rampzalig, vindt hij, ,,omdat de vertekeningen geleid hebben tot een systematisch, diepgeworteld wantrouwen tussen het ministerie van Landbouw en de boeren''.

Van der Ploeg heeft een brede kijk op de landbouw. Hij kent het boerenbedrijf uit eigen ervaring; zijn Nederlands verraadt nog steeds dat hij van het Friese platteland komt. Hij deed onderzoek onder boeren in Zuid-Amerika, Afrika, Zuid-Europa en Nederland. Bijna wekelijks houdt hij voordrachten in cafés, dorpszaaltjes en op huiskamerbijeenkomsten. Daarnaast is hij thuis in de kennisinstellingen, de landbouworganisaties, de ministeries en de EU waarvoor hij onderzoek deed en adviezen schreef.

In De virtuele boer stelt Van der Ploeg een aantal klassieke leerstukken uit de landbouwwetenschappen en het landbouwbeleid ter discussie. In zijn boek spreekt hij van ,,geïnstitutionaliseerde cognitieve modellen'' die in beleid en wetenschap vanzelfsprekendheden geworden zijn. Van der Ploeg: ,,De ontwikkeling van de landbouw tot nu toe wordt gezien als de onvermijdelijke ontvouwing van structurele wetmatigheden, de toekomst wordt voorgesteld als de onafwendbare uitkomst van een script dat daarop gebaseerd is.''

Hoe ziet dat script eruit?

Van der Ploeg: ,,Het Leitmotiv is dat de grote bedrijven doorgroeien door een reallocatie van productiefactoren. Kleine bedrijven zouden noodgedwongen grond, melkquota en andere productievolumes overdragen naar grote omdat ze toch niet levensvatbaar zijn. Schaalvergroting en sanering worden gezien als de enig mogelijke vorm van landbouwontwikkeling. Het hele landbouwbeleid is daarop afgestemd.

Wat is er mis met dat script? De schaalvergroting grijpt toch overal in de economie om zich heen.

,,In de praktijk blijkt schaalvergroting helemaal niet de enige manier te zijn waarop boeren hun inkomens verbeteren en hun bedrijf continueren. Daarvoor hebben zij een breed arsenaal van andere strategieën ontwikkeld. Sommige boeren verbreden hun bedrijf en integreren neventakken als agrotoerisme, natuur- en landschapsbeheer of de zorg voor gehandicapten en verslaafden in hun bedrijfsvoering. Andere boeren schakelen over op de strategie van `zuinig boeren'. Door de kosten te drukken kunnen ze met een veel lagere productie toch een redelijk inkomen verdienen. Om binnen een normale werkweek een norminkomen te halen moet een boer op een high tech bedrijf 800.000 liter melk per jaar produceren, een boer op een lage-kosten-bedrijf maar 400.000 liter. Een derde strategie is de overschakeling van bulkproductie op kwaliteitsproductie. In Nederland ligt nog sterk de nadruk op het eerste, terwijl elders in Europa de kwaliteitsproductie zich ontwikkeld heeft tot robuuste werkelijkheden. Friesland en het Italiaanse Emilia Romagna - het productiegebied van de Parmezaanse kaas - hebben bijvoorbeeld allebei een melkquotum van 1,7 miljard liter. In Friesland verdienen zo'n 7.000 mensen daarmee een boterham, in Italië ruim 27.000 mensen, terwijl de inkomens vergelijkbaar zijn. Een laatste strategie is pluri-activiteit. Daarbij verdienen boerengezinnen een deel van hun inkomen buiten de landbouw. Op zo'n 60 procent van de bedrijven is dat nu al het geval. Al deze strategieën zijn in de praktijk ontwikkeld, maar komen niet voor in het script.

Wat is er tegen een beleid dat is gericht op schaalvergroting?

,,LNV speelt daarmee een gevaarlijk spel. Nergens ter wereld zijn de kosten van grond, arbeid, productiequota en milieugebruiksruimte zo hoog. Juist voor schaalvergroting ben je daarop aangewezen. Grote gespecialiseerde bedrijven kunnen in Nederland dus nooit echt goedkoop produceren. Door de liberalisering van de wereldhandel worden zij in Nederland extreem kwetsbaar. Ze kunnen het waarschijnlijk niet bolwerken. Daarnaast kunnen ze moeilijk functioneren als drager van natuur- en landschapswaarden, geen hoge voedselkwaliteit garanderen en tasten ze de leefbaarheid van het platteland aan. Per gemeente hou je uiteindelijk maar een paar megabedrijven over. Daarvoor is een nieuwe herinrichting van het platteland nodig, een ruilverkaveling in het groot. Net nu we inzien dat we met de oude ruilverkavelingen veel te ver zijn doorgeschoten. Het maatschappelijk belang is niet gediend met hele grote bedrijven.

Goeie boeren zijn volgens de gangbare opvattingen `farmers', efficiënt producerende, moderne agrarische ondernemers. U neemt het in uw boek op voor hun tegenpolen, de `peasants'. Waarom?

,,Farmers zijn agrarisch ondernemers die volledig op de markt georiënteerd zijn, steeds de nieuwste technologieën toepassen en zich sterk gespecialiseerd hebben. Peasants distantiëren zich enigszins van de markten, werken meer met eigen vermogen dan met geleend kapitaal, meer met eigen dan met vreemde arbeid, vernieuwen hun veestapel met zelfgefokt vee en produceren hun veevoer grotendeels zelf. Aan de toevoerzijde beperken ze de inputs, aan de afvoerzijde spreiden ze de risico's door zich niet te specialiseren op één afzetmarkt. Behalve melk, verkopen ze bijvoorbeeld ook fokvee of vlees. Of ze integreren activiteiten als agrotoerisme en natuurbeheer in hun bedrijfsvoering. De kennisinstellingen en LNV vinden dergelijke boerenbedrijven ouderwets. Kennisontwikkeling en beleid zijn toegesneden op de farmers. De peasants worden systematisch tegengewerkt of genegeerd. Toch is de Nederlandse landbouw groot geworden doordat de boeren zich vervolmaakt hebben als peasants. Daarin ligt de verborgen kracht van de Nederlandse landbouw. Tijdens de liberalisering van de wereldhandel en de herstructurering van het Europees landbouwbeleid zal opnieuw blijken dat zij de grootste overlevingskansen hebben. "

Maar waarom houden zoveel kleine boeren er dan mee op?

,,Het eerste misverstand is dat alleen kleine boeren ermee ophouden. Ook nogal wat grote boeren stoppen ermee. Het tweede misverstand is dat kleine boeren ermee ophouden omdat ze geen acceptabel inkomen kunnen verdienen en geen levensvatbaar bedrijf kunnen overdragen aan de volgende generatie. Als je de cijfers en motieven voor bedrijfsbeëindiging zorgvuldig analyseert, stoppen er weinig boeren omdat hun bedrijf te klein is. Uit ons onderzoek naar bedrijfsbeëindigingen komen hele andere redenen naar voren. Zo spelen de veranderde demografische verhoudingen een belangrijke rol. Doordat vaders langer doorwerken en zonen eerder klaar staan om het bedrijf over te nemen sluiten de generaties bijvoorbeeld slecht op elkaar aan. De belangrijkste reden is echter de regelgeving. Die is toegesneden op farmers en werkt verstikkend voor peasants. Het landbouwbeleid is een self fullfilling prophecy. Er wordt vanuit gegaan dat kleine bedrijven toch verdwijnen. Beleid en onderzoek worden vervolgens zo ingericht dat grote bedrijven krachtig gestimuleerd worden. Kleine bedrijven komen daardoor in de problemen en dan zegt men: zie je wel. Kleine boeren raken gedeprimeerd doordat ze telkens te horen krijgen dat er voor hen geen toekomst is. Daardoor worden reële kansen niet benut of geblokkeerd.

U verwijt de kennisinstellingen en LNV dat ze niet weten wat in de landbouw aan de hand is.

,,Ontwikkelingen die niet in het denkschema van versnelde schaalvergroting passen, onderschat men. Zo is de werkgelegenheid in de landbouw na een jarenlange daling een paar jaar geleden gestabiliseerd en sindsdien weer aan het groeien. Volgens de standaardtheorieën kan dat niet. De kennisinstellingen en LNV hechten er daarom weinig waarde aan. Voor mij verwijst de werkgelegenheidsgroei naar de kracht van de antwoorden die in de praktijk ontwikkeld worden, tegen de stroom van het beleid in. Boeren hebben een bijna onverwoestbare neiging om hun bedrijf in stand te houden. In een recent onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) naar de perspectieven voor een verbrede landbouw en een wereldmarktlandbouw, zijn de potenties van de eerste enorm onderschat. Volgens het CBS doet slechts 9 procent van de boeren aan verbreding. Ook dat is een aantoonbare onderschatting.

Wat is de oorzaak van dat gebrek aan inzicht?

,,Er is een chronisch gebrek aan systematische relaties tussen de kennisinstellingen en de landbouwpraktijk. Daarnaast zijn allerlei correctieve mechanismen weggevallen. LNV werd vroeger gecorrigeerd door een uitgebreid apparaat van landbouwvoorlichters. Die wisten precies wat er speelde. De landbouwvoorlichting is nu geprivatiseerd. Gespecialiseerde voorlichters komen alleen voor specifieke problemen bij boeren die daarvoor apart moeten betalen. Ze missen daardoor het vroegere overzicht.

Al jaren is er sprake van een diepgeworteld wederzijds wantrouwen tussen LNV en de boeren. Hoe is die impasse ontstaan en hoe kan hij doorbroken worden?

,,De grote varkensboeren hebben het ministerie en de landbouw als geheel in een wurggreep. Ze hebben consequent alle redelijke oplossingen afgeschoten, zowel van het ministerie als van andere boeren. Er zijn wel uitwegen, maar die worden niet of nauwelijks benut. LNV faalt op een onthutsende manier, het vertoont ronduit autistische trekjes. Het ministerie slaagt er niet in beleid en praktijk met elkaar te verbinden. Honderden boeren hebben al pionierend met verve en op eigen kracht vernieuwende praktijken ontwikkeld. Maar voor het Stimuleringskader dat LNV ontworpen had om vernieuwingen te vergemakkelijken, kwamen zij niet in aanmerking. Dat werkt frustrerend, verdiept de kloof en versterkt het wantrouwen. Duizenden boeren willen aan de slag met natuur- en landschapsbeheer. Ze hebben daarvoor zo'n 250 coöperaties en verenigingen opgericht. Hun prestaties mogen er zijn, er gaat een groot elan vanuit, het zijn de ambassadeurs van de landbouw die we in de toekomst hard nodig hebben. Maar keer op keer worden ze geblokkeerd door LNV.

Wie blokkeert er, de minister of zijn ambtelijk apparaat?

,,Van Aartsen werkte regelmatig buiten de ambtelijke lijnen om. Hij forceerde veranderingen. Maar daar zitten twee beperkingen aan. Ambtenaren moeten het beleid handen en voeten geven. Daarnaast blijft een minister maar vier jaar. In het derde jaar van Van Aartsen zeiden zijn ambtenaren: straks gaat hij toch weg en kunnen we weer overgaan tot de orde van de dag. Tegen het advies van zijn ambtenaren in startte hij een experiment met acht milieucoöperaties. Daar had hij brede steun voor in de Tweede Kamer. Aan het einde van zijn ambtsperiode heeft hij ze geëvalueerd en aan de Kamer geschreven dat de experimenten verbreed en verdiept moesten worden. Daar is niets van terechtgekomen. De milieucoöperaties zijn door de ambtenaren teruggefloten. LNV demonteert hier een belangrijke vernieuwende ontwikkeling. Apotheker is behalve op het kabinet ook op zijn eigen ambtelijk apparaat vastgelopen. Via een vriendelijke dialoog probeerde hij daar greep op te krijgen, maar dat is hem niet gelukt. Nu mag Brinkhorst het proberen.

Is een tweesporenbeleid geen oplossing met enerzijds moderne farmers die voor de wereldmarkt produceren en anderzijds peasants met een verbrede landbouw die goederen en diensten voor de lokale en nationale markt leveren?

,,Je krijgt dan twee fragiele systemen die elkaar bovendien slecht verdragen. De optie voor een accelleratie in de schaalvergroting wijs ik af. Die past niet bij onze sterk verstedelijkte samenleving en drukt andere vormen van landbouwbeoefening weg. Bovendien denk ik dat de wereldmarktlandbouw in Nederland zich vroeg of laat ontpopt als een runaway industry, waarmee de maatschappij gechanteerd wordt zoals de varkensboeren nu doen. Als er nu een duidelijke politieke keuze gemaakt wordt voor verbrede landbouw, kan deze zich nog krachtig ontwikkelen. Doen we dat niet dan wordt hij gesmoord in frustratie.''

J.D. van der Ploeg, De virtuele boer, Van Gorcum, Assen 1999 496 bladzijden. Prijs: ƒ 57,50

    • Henk Donkers