Debat Nieuwe Economie wint aan urgentie

De groei van Nederlandse economie zal vaart minderen, luidde de geruststellende raming van de OESO gisteren. Er zijn ook andere prognoses. De ingrediënten: rond de 4 procent groei en een officiële werkloosheid van 1 procent.

Welke kant gaat het op met de Nederlandse economie? Nu het jaar 2000 nadert, beginnen de prognoses voor volgend jaar en het jaar daarna aan belang te winnen. Voor de actuele discussie zijn twee effecten van de economische groei van belang: de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en het verloop van de overheidsfinanciën.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek rapporteerde vanmorgen een verdere daling van de werkloosheid tot 211.000 mensen – 3 procent van de beroepsbevolking. Dat maakt de zorgen over de krapte van de arbeidsmarkt nog groter dan ze al zijn. En uit de vanmorgen uitgelekte Najaarsnota van het kabinet blijkt wat een half jaar geleden al te voorzien was: een meevaller van 2 miljard gulden laat het laatste restje begrotingstekort dit jaar al wegsmelten. De discussie over wat te doen met een begrotingsoverschot zal vervroegd moeten worden gevoerd.

Relevant voor beide onderwerpen is de huidige stand van de Nederlandse conjunctuur. Daarover had de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gisteren geruststellend nieuws. Na een volumegroei van 3 procent dit jaar zakt de economie volgend jaar wat terug naar 2,7 procent en in 2001 naar 2,6 procent. Kennelijk is voor de organisatie van industrielanden het hoogtepunt van de conjunctuur, dat rond begin 1998 moet hebben gelegen, al achter de rug. De economie blijft groeien rond zijn potentieel van zo'n 2,5 procent. De krapte op de arbeidsmarkt neemt niet toe: van een gemiddelde geregistreerde werkloosheid van 3,2 procent dit jaar gaat het percentage langzaam iets omhoog naar 3,4 in 2001. Het begrotingstekort blijft bestaan, op min 0,1 procent van het bruto binnenlands product in 2001.

Er is echter een groeiend aantal instellingen dat uitgaat van een tweede piek in de economie na het topjaar 1998. Tot de meest optimistische behoren de eurozone-analisten van de Amerikaanse zakenbank J.P. Morgan. Dit jaar groeit volgens die bank de Nederlandse economie al met 3,5 procent, om volgend jaar te versnellen tot 4,1 procent en in 2001 uit te komen op een groeitempo van 3,7 procent.

Deze spectaculair hogere inschatting van de Nederlandse economie in de komende jaren heeft flinke gevolgen voor zowel de werkloosheid als de overheidsfinanciën. Het begrotingsoverschot onstaat al veel eerder, en bereikt over twee jaar 0,6 procent van het bbp. De officiële werkloosheid daalt verder tot 1 procent in 2001.

Het verschil tussen de twee scenario's – de meeste andere liggen er ruwweg tussenin – heeft flinke implicaties voor het te voeren beleid. De lastenverlichting die gepaard gaat met de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 bedraagt 5 miljard gulden, en kan door bijstellingen nog oplopen. Is dat tegen die tijd extra olie op het vuur van de economie, of valt het juist handzaam samen met een conjunctuurdipje? En de discussie over een begrotingsoverschot moet, al naar gelang de inschatting of de hoogconjunctuur over is of niet, met spoed worden gevoerd.

Het belangrijkste onderwerp blijft daarbij de arbeidsmarkt. De intensiteit van de inspanningen die nodig zijn om de werkwillende arbeidsreserve – door het CBS eind vorig jaar geschat op 914.000 – aan te boren, hangt af van de noodzaak daartoe. En die hangt samen met de loop van de conjunctuur op de middelllange termijn.

Wat is nu het voornaamste verschil tussen de prognose voor een afbuigende conjunctuur enerzijds, en een voortsnellende economie anderzijds? Dat zit bijvoorbeeld in de investeringen. In het optimistische scenario nemen die toe met 5,5 procent in 2001, bij de OESO blijven ze steken op 2,6 procent. En dan is er de belangrijkste factor, die ook de afgelopen jaren de hoofdrol speelde: de particuliere consumptie. Hoewel in beide gevallen een voorbehoud wordt gemaakt voor een krach op de aandelen- en de huizenmarkt, neemt de groei van deze bestedingen in het OESO-scenario af van iets boven de 4 procent dit jaar tot 2,7 procent in 2001. In het scenario van J.P. Morgan blijven de bestedingen groeien met percentages van boven de 4. Opvallend is dat de inflatieprognoses tegengesteld zijn: de gematigde OESO ziet de inflatie toenemen tot 2,5 procent, terwijl in het rooskleurige scenario van J.P. Morgan de inflatie juist licht afneemt en blijft steken op 2,1 procent.

Hoge groei bij lage inflatie, in een klimaat van relatief hoge investeringen. Zo'n scenario begint erg te lijken op dat van de Nieuwe Economie in de Verenigde Staten. Met de oplaaiende politieke discussie over de overheidsfinanciën en de arbeidsmarkt in het achterhoofd, is de discussie over de Nieuwe Economie in Nederland dus niet langer enkel modieus. Ze wordt ook noodzakelijk.

    • Maarten Schinkel