Choreografieën uit een roemrijk verleden

De naam `Les Ballets de Monte Carlo' associeert de oudere balletminnaar onmiddelijk met het beroemde Russische gezelschap dat onder leiding van Serge Diaghilev vanaf 1911 tot aan diens dood in 1929 met een onderbreking van zes jaar in Monte Carlo zijn thuishaven had. Daar schitterden de grote sterren Karsavina en Nijinsky, daar waren de eerste voorstellingen van balletten van Fokine, Massine en Nijinska te zien, daar borrelde het van nieuwe ideeën die een van de meest inspirerende en enerverende perioden in de Europese dansgeschiedenis veroorzaakten.

Toen Diaghilev stierf viel het gezelschap uiteen. Nieuwe groepen kregen niet meer dezelfde prominente en inspirerende plaats als de `Ballets Russes de Monte Carlo'. De band tussen dans en Monte Carlo bleef echter bestaan en ook nu is er een groep die zich `Les Ballets de Monte Carlo' mag noemen. Sinds 1993 heeft choreograaf Jean Christophe Maillot er de leiding over.

Het vijftig leden tellende ensemble houdt het roemrijke verleden levend door het uitvoeren van een groot aantal werken uit de Diaghilev-periode. Daarnaast wordt eigentijds werk gedanst en dat van George Balanchine. Deze choreograaf maakte in 1925 in Monte Carlo bij het gezelschap van Serge Diaghilev zijn eerste ballet: Le Chant du Rossignol op muziek van Igor Stravinsky en met decor en kostuums van Henri Matisse. Dat ballet, naar het sprookje van Andersen over de zó mooi zingende nachtegaal dat de dood er zich door liet weglokken, is na minutieus onderzoek voor Les Ballets de Monte Carlo gereconstrueerd door Millicent Hodson en Kenneth Archer. Het beleefde gisteravond in Den Haag in het Holland Dance festival zijn wedergeboorte.

Het meest imponerende aan het ballet zijn de schitterende, kleurige, tot in de details zorgvuldig gekopieerde kostuums van Matisse. Zij maken het ballet tot een exotisch sprookje. Voor hedendaagse ogen is de choreografie niet echt opwindend of interessant en zijn de danstechnische moeilijkheden, waarmee in 1925 de frêle, 14-jarige Alicia Markova in de rol van nachtegaal de danswereld verbaasde, nauwelijks meer moeilijkheden te noemen. Wel interessant is het te zien dat in dat eerste Balanchine-werk al zoveel elementen zitten die in veel van zijn latere balletten in meer uitgewerkte vorm zijn terug te vinden, zoals bijvoorbeeld de zo typerende kruip- en sluipdoor passages.Het was daarom een goed idee om ook Balanchine's Kammermusik No. 2 uit 1978 in het programma op te nemen, omdat daarin zowel een vergaande ontwikkeling te zien is als eerdere ideeën en tradities.

Uit 1998 stamt het ballet Concerto van Lucinda Childs, dé vertegenwoordigster van een andere vernieuwingsgolf, die van de minimal dance. Met een constante stroom van energieke, verende bewegingen doorsnijden de zeven dansers in hoog tempo de ruimte in steeds wisselende formaties en patronen. Telkens wanneer je denkt een constructie te hebben doorzien, blijkt dat er ongemerkt al weer een verandering heeft plaatsgevonden. Een diagonaal is een rechte rij geworden, een trio een kwartet en dat simpele loopje heeft een pittige ritmische variatie gekregen. Concerto is een meeslepend werk dat door de mooie en sterke dansers prima wordt uitgevoerd. Dat zelfde geldt voor Jean Christophe Maillot's Vers un Pays Sage , een weliswaar te lang uitgesponnen maar helder, harmonieus, vitaal en mooi belicht ballet met soms heel verrassende vondsten in het partnerwerk en met eenzelfde pulserende drive als de gebruikte muziek van John Adams heeft.

Holland Dance Festival. Gezelschap: Les Ballets de Monte Carlo met Nederlands Balletorkest o.l.v. Nicolas Brochot. Programma: Le Chant du Rossignol, choreografie: George Balanchine, reconstructie door Millicent Hodson en Kenneth Archer. Kammermusik No.2, choreografie: George Balanchine. Concerto, choreografie: Lucinda Childs. Vers un Pays Sage, choreografie: Jean Christophe Maillot. Gezien: 16/11, Lucent Danstheater, Den Haag. Aldaar 17/11.

    • Ine Rietstap