Tweede Kamer blij met VN-rapport Srebrenica

Het VN-rapport over de val van Srebrenica is in politiek Den Haag met opluchting ontvangen. De Tweede Kamer reageert verheugd.

Een buitengewoon zelfkritisch Srebrenica-onderzoek van de Verenigde Naties heeft weliswaar voor weinig echt nieuws, maar wel voor zeer veel opluchting in Den Haag gezorgd. De verheugde reacties uit de Tweede Kamer geven daarvan ook ruimschoots blijk.

Ruim vier jaar na het drama in de veilige VN-haven die niet veilig bleek te zijn neemt de volkerenorganisatie nu zelf enmet zoveel woorden het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor haar rekening.

Joris Voorhoeve, het aanstaande lid van de Raad van State, die ten tijde van het vorige kabinet niet als minister van defensie wilde aftreden omdat hij bang was daarmee alom de indruk te wekken dat Dutchbat schuld droeg aan de val van de enclave en aan de daarop gevolgde slachting onder moslim-mannen, zal het VN-rapport met instemming lezen.

Al blijft er politiek gesproken dan nog steeds een interessant verschil in het Srebrenica-drama tussen schuld en de ministeriële verantwoordelijkheid.

Interessant zijn ook de verklaring en de redenen die het VN-rapport noemt voor het falende beleid in Bosnië.

Er is sprake van onderschatting van de Servische ethnische zuiveringscampagne, van een gevaarlijk-verkeerde even-handedness in de waardering van de krachtsverhouding en de intenties van de Serviërs en de moslims in Bosnië. Het rapport kritiseert de slechte communicatie, ook van de kant van Dutchbat, binnen de VN-eenheden en de aanhoudende bijna plechtige verzekeringen dat er niet werkelijk met een harde militaire hand zou worden opgetreden.

Maar bovenal kritiseert het VN-rapport de toenmalige uitgangspunten voor het beleid in Bosnië, waarvan het humanitaire aspect de boventoon kreeg boven de mee gedecideerde militaire aanpak, die eerder internationaal onhaalbaar was maar sinds ,,Srebrenica'' zonodig, in Bosnië en nadien ook in Kosovo, voorrang kreeg.

In dat opzicht bevestigt het VN-rapport een conclusie die al eerder, in New York en in Washington, getrokken was en waarvoor, bitter genoeg, het drama in Srebrenica heel belangrijk was. De optie van de zogenoemde safe havens wordt met terugwerkende kracht nog eens gekraakt, wat de motivering betreft en wat de uitvoering met te weinig en onvoldoende bewapende soldaten betreft.

De scepsis over deze aanpak is eerder te horen geweest. Namelijk in de tijd vóór Nederland aan de nu zo gekritiseerde VN-operaties ging deelnemen, de tijd waarin de toenmalige minister van defensie, Ter Beek, en zijn medewerkers de Tweede Kamer waarschuwden voor de risico's en gevaren van uitzending van een Nederlands bataljon. Risico's wegens de bewapening, wegens het mandaat voor de acties en wegens het veilige-havensconcept. De Tweede Kamer wilde daarvan toen in overgrote, enigszins eufore meerderheid (de Canadezen vertrekken, maar wij willen wel, we zorgen voor aflossing) weinig weten en maakte Ter Beeks oranje licht van harte groen.

Wat dat betreft is de vreugde van de volksvertegenwoordiging over de uitkomst van het VN-onderzoek weliswaar heel begrijpelijk, maar er zullen hier en daar op Defensie mensen zijn die door dat onderzoek nog eens zullen terugdenken aan de dagen dat van de nu gepubliceerde bezwaren er ook al aardig wat uitgesproken waren. Nu over Defensie opnieuw een levendig en breed debat wordt gevoerd is het de moeite waard om dat in gedachten te houden.

    • J.M.Bik