`Top Nederlandse Unie niet fout'

In tegenstelling tot wat de historicus L. de Jong in zijn standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven, was de Nederlandse Unie, een politieke massabeweging die van juli 1940 tot eind 1941 heeft bestaan, niet opgericht met het doel de inbedding van Nederland in het Derde Rijk zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Ten onrechte is er de waas van collaboratie komen te hangen rond het leidend driemanschap van de Unie, dat bestond uit de toenmalige Rotterdamse hoofdcommissaris van politie L. Einthoven, de commissaris van de koningin in Groningen J. Linthorst Homan, en de hoogleraar psychologie en latere minister-president J. E. de Quay.

Dat valt op te maken uit het proefschrift De Nederlandse Unie, waarop de Amsterdamse historicus Wichert ten Have vanmiddag aan de Universiteit van Amsterdam is gepromoveerd. Promotor was de directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, J. Blom.

Hoewel Ten Have niet de polemiek met De Jong zoekt, nuanceert hij in zijn dissertatie in aanzienlijke mate het beeld dat in Het Koninkrijk wordt geschetst van de Unie en haar leiders. De beweging, die volgens haar programma werd opgericht om alle Nederlanders te verenigen, en `in loyale verhouding tot de bezettende overheid' staatkundige hervormingen na te streven, kreeg meteen een toeloop die zijn weerga in Nederland nog steeds niet kent.

Bijna een miljoen mensen stuurde sympathiebetuigingen, rond de driekwart miljoen werd lid. De Jong schreef in deel 4 van zijn boek: `Het kwam erop neer dat het Driemanschap, bedoelend een beweging in het leven te roepen die de grondslag moest vormen voor Nederlandse aanpassing aan het Derde Rijk, in werkelijkheid al door het simpele feit dat het in stad na stad duizenden anti-nationaal-socialistische Nederlanders [..] bijeenbracht, een aanhang kreeg die de Unie van meet af als een uiterst welkome gelegenheid beschouwde om tegen Hitler, Seyss-Inquart en Mussert te demonstreren. [..] Daarmee was de opzet [van het driemanschap] al na enkele weken mislukt.'

Ten Have betoogt dat vrijwel alle Nederlandse politici in de eerste fase van de bezetting een vorm van `aanpassing' voorstonden, maar dat rekening houden met de bezetter iets geheel anders was dan de bedoelingen van de bezetter overnemen, wat het driemanschap volgens hem ook niet heeft gedaan.

Verder bestrijdt hij De Jongs stelling dat er tussen de houding van de leiding van de Nederlandse Unie en de aanhang een fundamenteel verschil van opvatting bestond. Leiding en leden deelden de behoefte op te komen voor `de Nederlandse waarden' en `het Nederlands karakter', die werden gezien als duidelijk afgegrensd van die van het nationaal-socialisme.