Europese Unie

Het bericht in deze krant van 3 november dat Nederland in de komende Intergouvernementele Conferentie een groter stemgewicht in de Raad van de EU/EG wil nastreven, laat de vraag open hoe het kabinet dit doel denkt te kunnen bereiken. In de slotvergadering van de IGC van Amsterdam is immers gebleken dat wijzigingen van de huidige stempositie van één lidstaat terstond andere wijzigingen van bepaalde andere lidstaten ten gevolge hebben. Daar over welke wijziging dan ook in Amsterdam geen overeenstemming kon worden bereikt, dreigde de gehele verdragswijziging in Amsterdam te mislukken en moest gegrepen worden naar het noodmiddel van verwijzing van het probleem naar een volgende IGC.

Ook het zogenoemde Akkoord van Ioannina van 1994 over het stemrecht in de Raad had al getoond dat wijzigingen in het bestaande stemrechtsysteem tot grote irritatie tussen de lidstaten plegen te leiden. Niettemin is het evident dat de komende uitbreidingen van het aantal lidstaten van de EU wijzigingen in de stemrechtverhoudingen in de Raad noodzakelijk maken, met name door beter rekening te houden met de bevolkingsomvang van elke lidstaat. Zonder een dergelijke wijziging zou na die uitbreidingen tot 25 à 30 lidstaten de Raad besluiten kunnen nemen met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, hoewel die meerderheid niet langer de meerderheid van de Europese bevolking zou vertegenwoordigen. Teneinde nieuwe verdragswijzigingen bij elke nieuwe toetreding en ruzie daarover bij elk van die afzonderlijke toetredingen te vermijden, zal een duurzaam systeem moeten worden ontwikkeld dat met een vaste formule ook rekening houdt met de bevolkingsomvang van elke lidstaat.

De beste oplossing, die ook constitutioneel en democratisch het beste te verdedigen lijkt, is een door velen al eerder verdedigde formule van een dubbele meerderheid.

Enerzijds zou overeenkomstig het volkenrechtelijk beginsel van de soevereine gelijkheid van staten een (gekwalificeerde) meerderheid van het aantal lidstaten moeten worden aanvaard. Anderzijds zou op grond van het in bijna alle grondwetten van de huidige lidstaten vastgelegde beginsel van de volkssoevereiniteit een (gekwalificeerde) meerderheid van de lidstaten tevens een meerderheid van bijvoorbeeld 60 procent van de totale bevolking van de EU moeten vertegenwoordigen.

    • Prof.Mr P.Verloren van Themaat