Een late zelfanalyse van de VN

Ruim vier jaar na de val van Srebrenica hebben de VN voor het eerst een kritisch rapport gepubliceerd over hun eigen rol. Nederland en de wereldgemeenschap worden niet gespaard.

Zelfkritiek is nooit de sterkste eigenschap van de Verenigde Naties geweest, en alleen daarom al is het gisteren verschenen VN-rapport over de val van Bosnische moslim-enclave Srebrenica op 11 juli 1995 opmerkelijk. Voor het eerst doen de VN een publieke poging tot zelfanalyse van hun rol bij de ergste massamoord in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. De VN hebben zich schuldig gemaakt aan ,,appeasement'' door met de Serviërs te onderhandelen terwijl die in Srebrenica duizenden mensen vermoordden en begroeven, is een de belangrijkste conclusies van het 150 pagina's tellende rapport van VN-chef Kofi Annan.

Dat is een ongebruikelijke krachtterm van het VN-Secretariaat, dat van oudsher een bijna religieuze hang naar onpartijdigheid en niet-gewelddadigheid heeft, en nu eindelijk toegeeft dat die houding in Bosnië desastreus was. ,,De kardinale les van Srebrenica is dat een bewuste en systematische poging tot het terroriseren, verdrijven en uitmoorden van een heel volk moet worden geconfronteerd met alle noodzakelijke middelen en met de politieke wil dat beleid tot zijn logische conclusie door te voeren'', schrijft Annan. ,,Vredehandhavers mogen nooit meer worden ingezet in een omgeving waar geen bestand of vredesakkoord bestaat.''

De hele internationale gemeenschap – het VN-Secretariaat en zijn stafpersoneel, de VN-Veiligheidsraad, Westerse regeringen, de zogeheten Contactgroep van grote Westerse landen en Rusland en ook de Nederlandse soldaten van Dutchbat – heeft gefaald in haar taak burgers te beschermen tegen een nietsontziende, moorddadige agressor. Tweeduizend lichamen zijn na `Srebrenica' geborgen maar nog steeds niet geïdentificeerd. Voorts staan 7079 moslims formeel nog altijd te boek als vermist. De wereldgemeenschap heeft ,,vergissingen en beoordelingsfouten'' gemaakt, ,,het kwaad waarmee we werden geconfronteerd'' onderschat en de VN-vredesmacht UNPROFOR uitgerust met een gebrekkig mandaat. ,,Terugblikkend kan men zien hoe veel van de fouten van de VN voortvloeiden uit een zonder twijfel goedbedoelde poging: we trachtten de vrede te bewaren en de regels van de vredeshandhaving toe te passen toen er geen vrede wàs om te bewaren'', schrijft Annan.

Srebrenica, de moslimenclave in het oosten van Bosnië, was met vijf andere gebieden in april 1993 uitgeroepen tot `veilig gebied', onder bescherming van de VN. In feite zijn die veilige gebieden tijdens de hele Bosnische oorlog de meest onveilige plekken van Bosnië geweest. Voor de bewaking van de veilige gebieden waren volgens Annans voorganger Boutros-Ghali 34.000 man nodig. De zuinige internationale gemeenschap stuurde zevenduizend man.

Wat voor Nederland de omvang van een Vietnam-trauma heeft gekregen, is voor de VN één debacle uit een serie: Somalië, Rwanda en Bosnië. In al deze crises bleken de VN niet in staat de enorme verwachtingen over hun vredeshandhavende taak na de Koude Oorlog waar te maken en traden ze niet kordaat op. De VN waren aanvankelijk, toen nog onder het leiderschap van de vorige VN-chef Boutros-Ghali, ook niet bereid tot een zelfanalyse na deze rampen. Zo poeierden de grote landen in de VN-Veiligheidsraad een eerder Nederlands verzoek tot een onderzoek naar Srebrenica af.

Onder Boutros' opvolger Kofi Annan, uitgerekend destijds hoofd van de afdeling VN-vredeshandhaving, is mede onder druk van buitenaf meer behoefte aan zelfanalyse ontstaan. Na Srebrenica hebben de VN geen enkele vredeshandhavende operatie meer opgezet. ,,De tragedie van Srebrenica zal ons voor altijd achtervolgen'', aldus Annan. Wil de organisatie weer een rol in vredeshandhaving kunnen spelen, zal ze lessen moeten leren uit het verleden.

Annan uit vooral indirect harde kritiek aan het adres van Boutros-Ghali, de Japanse speciale VN-gezant in Bosnië, Akashi, en de Franse militaire VN-commandant, Janvier. Zijn eigen rol wordt in het rapport niet helemaal duidelijk. Maar Annan hoorde destijds zelf tot de voorstanders van een hardere aanpak en had hierover geregeld problemen met Boutros en Akashi.

Het rapport spaart de Nederlandse VN-soldaten van Dutchbat evenmin: ,,Het is waar dat het Nederlandse bataljon niet genoeg heeft gedaan om degenen te beschermen die toevlucht zochten in hun basis.'' Ter verzachting wijst Annan erop dat 150 lichtbewapende Nederlanders niet waren opgewassen tegen tweeduizend Bosnische Serviërs met tanks en artillerie. De Nederlanders vroegen vijf keer om luchtsteun die niet kwam. De Nederlandse minister Voorhoeve verhinderde luchtsteun uit vrees dat Nederlandse blauwhelmen door de Serviërs zouden worden gegijzeld.

Ook verwijt Annan dat de Nederlanders niet hebben gerapporteerd wat ze zagen: geen massamoord, want die speelde zich buiten het gezichtsveld van de Nederlanders af, maar er waren genoeg ,,verschrikkelijke aanwijzingen'' over het lot van de afgevoerde moslim-mannen. Rapportage daarvan had internationale actie nog mogelijk gemaakt, aldus het rapport.

In wezen is de kritiek van Annan nog mild. Immers, toen de Serviërs de moslim-mannen van de vrouwen en kinderen scheidden, kon iedereen die de oorlog van nabij had gevolgd, weten wat er ging gebeuren: op talrijke plaatsen hadden de Serviërs eerder mannen van vrouwen gescheiden en de eersten weggeleid en vermoord.

Annans puntige en genuanceerde oordeel komt weliswaar zeer laat, maar het is het eerste formele internationale oordeel over de rol van Nederland en de wereldgemeenschap. Het roept de vraag op of het Srebrenica-onderzoek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) hier nog iets aan kan toevoegen en niet een hoog spek-en-bonen-gehalte heeft.

    • Peter Michielsen
    • Robert van de Roer